Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:3792

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 28-11-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 28-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:3792, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/2073 AOW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:3792:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 28 november 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 maart 2018, 17/7075 en 17/7076 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] e/v [Appellant] te [woonplaats] (appellante) en [Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroepen ingesteld.

De Svb heeft verweerschriften ingediend.

Appellant heeft een pleitnota ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2019. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1. Appellanten zijn met elkaar gehuwd en ontvangen allebei een ouderdomspensioen voor een gehuwde op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Appellanten hebben de Svb in maart 2017 bericht dat zij uit elkaar gaan. Bij besluiten van 19 juni 2017, in stand gelaten bij beslissingen op bezwaar van 6 september 2017 (bestreden besluiten), heeft de Svb appellanten bericht dat zij, ook na de verhuizing van appellante naar andere woonruimte, het ouderdomspensioen voor een gehuwde blijven ontvangen omdat uit het onderzoek naar de leefsituatie van appellanten is gebleken dat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard.
3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens hen is wel sprake van duurzaam gescheiden leven.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW bepaalt dat als ongehuwd mede wordt aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
4.2.
Voor zijn vaste rechtspraak over het begrip duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 19 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3017 en ECLI:NL:CRVB:2019:3018.
4.3.
Het gegeven dat betrokkenen hun hoofdverblijf niet hebben in dezelfde woning is niet voldoende om duurzaam gescheiden leven aan te nemen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9932) kan de echtelijke samenleving bestaan zonder dat van samenwonen sprake is. De motieven op grond waarvan de echtelijke samenleving niet, nog niet, niet langer of niet opnieuw is verbroken, zijn voor de beoordeling van de vraag of sprake is van duurzaam gescheiden leven niet relevant (vergelijk de uitspraken van 2 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1277 en 3 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1093).
4.4.
De Raad is met de rechtbank en de Svb van oordeel dat uit de van belang zijnde feiten en omstandigheden niet blijkt dat bij appellanten sprake is van duurzaam gescheiden leven vanaf 15 maart 2017. Hierbij is van belang dat appellante met appellant eigenaar is van de door appellant destijds bewoonde woning, dat er bankrekeningen zijn die op beider naam staan en waar zij beiden gebruik van maken en dat appellant bijdraagt in de kosten van levensonderhoud van appellante. Gelet op deze feiten en omstandigheden kan niet gezegd worden dat ten tijde hier van belang sprake was van een gewilde verbreking van de echtelijke samenleving. De Raad ziet geen aanleiding om terug te komen op zijn rechtspraak op dit punt.
4.5.
Uit wat in 4.4 is overwogen volgt dat de hoger beroepen niet slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Benek, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2019.

(getekend) H. Benek

(getekend) S.L. Alves

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over duurzaam gescheiden leven.