Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:3790

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 28-11-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 28-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:3790, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 19/422 AW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:3790:DOC
nl

19


Datum uitspraak: 28 november 2019Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van 13 december 2018, 18/94 en 18/165 (aangevallen uitspraken) en uitspraak op de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:

[Appellant 1] te [woonplaats 1] en [Appellant 2] te [woonplaats 2] (appellanten)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. drs. P.W. Kuijper, hoger beroepen ingesteld en verzocht om vergoeding van schade.

De korpschef heeft verweerschriften ingediend.

Appellanten hebben een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met een aantal soortgelijke zaken, plaatsgevonden op 10 oktober 2019. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. drs. Kuijper. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A.M. Bot en C. Krooder-Tammer. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Voor het kader en de van toepassing zijnde regelgeving betreffende deze hoger beroepen verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 18 juli 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2432, ECLI:NL:CRVB:2019:2506, ECLI:NL:CRVB:2019:2507, ECLI:NL:CRVB:2019:2508 en ECLI:NL:CRVB:2019:2573).
1.2.
Appellanten waren werkzaam als Operationeel Expert Tactische Opsporing (TO) bij de Eenheid [eenheid]. Zij hebben op 20 juli 2016 een aanvraag ingediend om ontheffing van werkzaamheden (18-maandenregeling/remplaçantenregeling) als bedoeld in artikel 55aa van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), zoals dit luidde direct voorafgaand aan 1 juni 2016.
1.3.
Bij brieven van 16 december 2016 is aan appellanten medegedeeld dat hun aanvraag niet verder in behandeling wordt genomen omdat het aantal lege plekken groter is dan het aantal herplaatsingskandidaten waarvoor nog een passende functie moet worden gevonden. De daartegen gemaakte bezwaren zijn bij besluiten van 12 juli 2017 gegrond verklaard. Hierbij is medegedeeld dat alsnog inhoudelijk op de aanvraag van appellanten wordt beslist.
1.4.
Bij besluiten van 12 juli 2017 heeft de korpschef de aanvragen om ontheven te worden van werkzaamheden afgewezen op de grond dat niet aan de voorwaarden daarvoor is voldaan, omdat op de peildatum 1 juni 2017 sprake is van een overbezetting van 1,22 fte. De daartegen gemaakte bezwaren zijn bij besluiten van 7 december 2017 (bestreden besluiten) ongegrond verklaard. Hierbij heeft de korpschef vastgesteld dat op basis van de actuele situatie sprake is van een overbezetting van 0,22 fte. Dit betekent dat (nog steeds) niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat er een formatieplaats vrijkomt.
2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en de korpschef opgedragen nieuwe besluiten op bezwaar te nemen met inachtneming van wat in de uitspraken is overwogen. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat, nu de korpschef zijn besluiten opnieuw dient te heroverwegen, conform de hoofdregel dient te worden uitgegaan van de omstandigheden zoals die zijn op het moment van de nieuw te nemen beslissingen op bezwaar.
3. In hoger beroepen hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellanten hebben aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de korpschef bij de nieuw te nemen besluiten op grond van artikel 7:11 van de Awb ex nunc dient beslissen. Deze beroepsgrond slaagt. De Raad heeft in zijn uitspraken van 18 juli 2019 het uitgangspunt onderschreven dat alle aanvragen op gelijke wijze worden beoordeeld en het niet onredelijk geacht dat daarvoor een peildatum wordt gehanteerd. Geoordeeld is dat de peildatum van 1 juni 2017 de rechterlijke toets kan doorstaan. In overeenstemming met deze uitspraken dient de korpschef de aanvragen om ontheffing van werkzaamheden bij de nieuw te nemen besluiten te beoordelen naar de situatie op de peildatum 1 juni 2017.
4.2.
Uit wat in 4.1 is overwogen volgt dat de hoger beroepen slagen. De aangevallen uitspraken moeten worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarin heeft geoordeeld dat de korpschef dient uit te gaan van de omstandigheden zoals die zijn op het moment van de nieuw te nemen beslissingen op bezwaar. De Raad zal de aangevallen uitspraken voor het overige bevestigen.
4.3.
De korpschef heeft ter zitting medegedeeld nog geen uitvoering te hebben gegeven aan de opdracht van de rechtbank om nieuwe besluiten te nemen. Desgevraagd heeft de korpschef bevestigd dat ook op de peildatum 1 juni 2017 sprake was van een overbezetting van 0,22 fte, waardoor bij het vertrek van appellanten voldoende formatieruimte vrijkomt. De korpschef zal onderzoeken of op de peildatum 1 juni 2017 een herplaatsingskandidaat kon worden geplaatst op de vrijkomende formatieplaats en zal vervolgens nieuwe beslissingen op de bezwaren nemen. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil, ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat beroepen tegen die nieuwe beslissingen op bezwaar slechts bij de Raad kunnen worden ingesteld.
5. Over het verzoek van appellanten om schadevergoeding op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb wordt het volgende overwogen. Niet zeker is hoe de nieuw te nemen besluiten zullen luiden. Het is daarom nu niet mogelijk om vast te stellen of, en zo ja in welke omvang, door appellanten schade is geleden. De verzoeken om schadevergoeding zullen daarom worden afgewezen. Dit betekent dat de verzoeken om schadevergoeding mede ter beoordeling voorliggen bij de nadere besluitvorming.
6. Aanleiding bestaat om de korpschef te veroordelen in de proceskosten van appellanten in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken van appellanten samenhangende zaken zijn als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Dit leidt tot een bedrag van € 512,- aan proceskosten per appellant.
beslissing

BESLISSING

- vernietigt de aangevallen uitspraken, voor zover de rechtbank daarin heeft geoordeeld dat de korpschef dient uit te gaan van de omstandigheden zoals die zijn op het moment van de nieuw te nemen beslissingen op bezwaar;- bevestigt de aangevallen uitspraken voor het overige;- bepaalt dat beroepen tegen de door korpschef te nemen nieuwe beslissingen op bezwaar slechts bij de Raad kunnen worden ingesteld;- wijst de verzoeken om schadevergoeding af;- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 512,- per appellant;- bepaalt dat de korpschef aan appellanten het door ieder van hen in hoger beroep betaalde griffierecht van € 259,- vergoedt.
De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en H. Lagas en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van Y. Itkal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2019.

(getekend) C.H. Bangma

De griffier is verhinderd te ondertekenen.