Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:3789

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 28-11-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 28-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:3789, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/6473 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:3789:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 28 november 2019

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 augustus 2017, 16/3898 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.R. Meulenberg-ten Hoor, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2019. Partijen zijn niet verschenen.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant was werkzaam als postbezorger bij [werkgever] voor 25 uur per week toen hij zich op 16 juli 2014 ziek meldde wegens psychische en fysieke klachten. Een aanvraag voor een uitkering met verkorte wachttijd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is bij besluit van 8 oktober 2015 afgewezen. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 1 april 2016 ongegrond verklaard. Het beroep tegen het besluit van 1 april 2016 heeft de rechtbank bij uitspraak van 20 februari 2017 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in deze uitspraak geoordeeld niet te twijfelen aan de bevindingen van de (primaire) verzekeringsarts over de geschiktheid voor het eigen werk en dat de arbeidsdeskundige voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat het werk van postbezorger binnen de belastbaarheid van eiser valt. Geconcludeerd is dat geen sprake is van (volledige) arbeidsongeschiktheid zodat aan de criteria voor toepassing van een verkorte wachttijd als bedoeld in artikel 23, zesde lid, van de Wet WIA niet is voldaan en dat verweerder dan ook terecht de aanvraag voor een IVA-uitkering met verkorte wachttijd heeft afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant geen hoger beroep ingesteld.
1.2.
Appellant heeft op 11 april 2016 opnieuw een aanvraag om een WIA-uitkering gedaan. Op basis van een ingevulde vragenlijst en bestudering van de dossiergegevens heeft een verzekeringsarts geconcludeerd dat de medische situatie van appellant ongewijzigd is ten opzichte van september 2015. Er is een FML opgesteld geldend vanaf 10 juni 2016. De arbeidsdeskundige heeft appellant geschikt geacht voor zijn eigen werk, de functie van postbezorger. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 14 juni 2016 appellant per 13 juli 2016 een WIA-uitkering geweigerd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 18 november 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat geen aanleiding wordt gezien te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen. Evenmin bestaat aanleiding te twijfelen aan de conclusie van de arbeidsdeskundige dat appellant geschikt is voor het eigen werk. Daar komt bij dat de eerdere uitspraak van 20 februari 2017, waarbij is geoordeeld dat het Uwv de aanvraag van appellant voor een IVA-uitkering met verkorte wachttijd terecht heeft afgewezen omdat appellant geschikt is voor het eigen werk vanaf 6 oktober 2015, in rechte vast staat. Alleen al op grond hiervan is naar het oordeel van de rechtbank de conclusie gerechtvaardigd dat appellant de wachttermijn als bedoeld in artikel 23 van de Wet WIA niet heeft volbracht.

3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij in verband met zijn angststoornis/agorafobie niet geschikt is voor zijn eigen werk als postbezorger. Uit de informatie van de psycholoog van maart 2015 blijkt dat de ernstige symptomen van deze stoornis hem beperken in zijn sociaal en beroepsmatig leven. Omdat dit al jaren duurt, is verbetering niet meer mogelijk. Hij heeft erop gewezen dat de bedrijfsarts deze conclusie deelt. De verzekeringsarts van het Uwv heeft in de FML te weinig aandacht geschonken aan de angststoornis en hem ten onrechte niet beperkt geacht op de aspecten 2.6, 2.7, 2.10 en 2.11. Bovendien heeft hij een WSW-indicatie, waaruit blijkt dat appellant niet geschikt is voor begeleid werken bij een regulier bedrijf. Het Uwv is daar volledig aan voorbijgegaan.
3.2.
De overweging van de rechtbank dat de eerdere uitspraak van 20 februari 2017 in rechte vaststaat en daarmee het oordeel dat hij bij de aanvraag verkorte wachttijd al geschikt was voor zijn eigen werk, kan volgens appellant niet worden gevolgd. Appellant is na de afwijzing van de eerdere aanvraag ziek gebleven en heeft zijn werk niet hervat. Per einde wachttijd heeft een nieuwe beoordeling in het kader van de Wet WIA plaatsgevonden en daarbij is opnieuw beoordeeld of appellant geschikt is voor eigen werk. Appellant heeft zich verder afgevraagd of er niet een hersteldverklaring plaats had moeten vinden om hem geschikt te kunnen achten voor zijn eigen werk.
3.3.
Het onderzoek van de arbeidsdeskundige acht appellant voorts onzorgvuldig. Een duidelijke functieomschrijving ontbreekt en er is onvoldoende navraag gedaan door de arbeidsdeskundige daarover bij de werkgever. Zijn eigen werk als postbezorger in de gemeente [gemeente] bestond bovendien niet meer. Hij vraagt zich af waar hij dan wel ingezet kan worden.
3.4.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit en zich op het standpunt gesteld dat appellant de uitspraak van de rechtbank van 20 februari 2017 niet heeft bestreden, zodat in rechte vaststaat dat hij geschikt is voor zijn eigen werk. Dit heeft tot gevolg dat in deze procedure aan de medische beoordeling niet wordt toegekomen. De omstandigheid dat de bedrijfsarts appellant ook na 8 oktober 2015 ziek heeft geacht en de werkgever vervolgens het loon heeft doorbetaald, is niet maatgevend voor de vraag of de wachttijd is vervuld. De vraag of de wachttijd in het kader van de Wet WIA is vervuld, wordt voor het Uwv zelfstandig beoordeeld.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
In dit geding moet de vraag worden beantwoord is of het Uwv per 13 juli 2016 terecht de WIA-uitkering heeft geweigerd, omdat appellant geschikt is voor zijn eigen werk. Het gaat hier om de beoordeling per einde wachttijd (EWT-beoordeling), te weten 13 juli 2016, zoals ook blijkt uit de rapporten van de verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundigen. Het Uwv heeft deze EWT-beoordeling ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit en de rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak hierover geoordeeld. Dat betekent dat het standpunt van het Uwv dat in deze zaak niet aan een medische beoordeling kan worden toegekomen niet kan worden gevolgd. In de uitspraak van 20 februari 2017 is immers de medische situatie van appellant per eerdere datum, te weten per oktober 2015, beoordeeld. De overweging van de rechtbank dat de wachttijd als bedoeld in artikel 23 van de Wet WIA reeds niet is volbracht vanwege de in rechte vaststaande uitspraak van de rechtbank van 20 februari 2017 wordt dan ook niet onderschreven.
4.2.
De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien te twijfelen aan de medische beoordeling door de verzekeringsartsen. Uit de rapporten van 10 juni 2016 en 1 november 2016 blijkt dat de verzekeringsartsen de beschikking hadden over de gegevens uit eerdere onderzoeken, informatie van de huisarts, van het psychologisch onderzoek van 15 april 2015 en van de gebruikte medicatie. Bij de beoordeling zijn zij uitgegaan van de bij appellant bestaande psychische problemen. In verband daarmee zijn in de FML beperkingen aangenomen in het persoonlijk en sociaal functioneren. In de rapporten van de verzekeringsartsen zijn de beperkingen van appellant inzichtelijk en toereikend gemotiveerd. Appellant heeft zijn stelling dat meer beperkingen moeten worden aangenomen niet onderbouwd met nieuwe medische informatie. Dat de bedrijfsarts zich op het standpunt heeft gesteld dat appellant volledig arbeidsongeschikt is voor de maatgevende arbeid, leidt niet tot een ander oordeel. In de informatie van de bedrijfsarts, bestaande uit enkele adviezen aan de werkgever naar aanleiding van spreekuurcontacten met appellant en een verklaring die was opgesteld in het kader van de aanvraag verkorte wachttijd, is melding gemaakt van beperkingen in psychisch en fysiek functioneren. Daarbij is verwezen naar het uitgebrachte psychologisch onderzoek, maar niet nader is onderbouwd waarom appellant volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zou zijn zonder kans op verbetering. Een verstrekkende conclusie als door de bedrijfsarts getrokken valt niet uit dat rapport af te leiden.
4.3.
Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat de rapporten van de arbeidsdeskundigen zorgvuldig zijn opgesteld en deugdelijk zijn gemotiveerd. Er bestaat geen aanleiding te twijfelen aan de conclusie dat appellant geschikt is voor het eigen werk. De arbeidsdeskundige heeft in het rapport van 14 juni 2016 de inhoud van de functie en de belastbaarheid van appellant op elk onderdeel van de belastbaarheid naast elkaar gelegd. De arbeidsdeskundige heeft bovendien met de werkgever gesproken, die heeft aangegeven dat appellant zijn werkzaamheden in overleg binnen de door hem vastgestelde (beperkte) omgeving kan verrichten. De stelling van appellant dat een duidelijke functieomschrijving ontbreekt, kan gezien deze uitgebreide uiteenzetting door de arbeidsdeskundige dan ook niet worden gevolgd. Dat geldt ook voor het standpunt van appellant dat met de WSW-indicatie geen rekening is gehouden. Het werk van appellant is immers via de WSW al aangepast. Er zijn in het werk geen belangrijke klantcontacten met eventueel bijkomende problemen en de post is van algemene aard, zoals reclamefolders en weekkranten. Met dit aspect is dus rekening gehouden.
4.4.
Uit wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Omdat de rechtbank het beroep van appellant terecht ongegrond heeft verklaard zal de aangevallen uitspraak, gelet op wat in 4.1 is overwogen met verbetering van de gronden, worden bevestigd. Bij deze uitkomst is een schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente niet aan de orde. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade wordt dan ook afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

- bevestigt de aangevallen uitspraak- wijst het verzoek om vergoeding van schade af.
De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en M.E. Fortuin en R.P.Th. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van E. Diele als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2019.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) E. Diele