Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:3781

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 28-11-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 28-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:3781, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/8306 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:3781:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 28 november 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 november 2017, 17/1521 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H. van Dijck, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 14 januari 2019 heeft mr. J.J. Weldam, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Weldam. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Sjoer.
overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als adviseur/trainer voor gemiddeld 31,93 uur per week. Op 29 augustus 2014 heeft appellant zich ziek gemeld met fysieke en psychische klachten. Daarna kreeg hij hartklachten. Hij ontving op dat moment een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.
1.2.
In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk, maar appellant wel belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 juli 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de functies productiemedewerker (samensteller van producten) (Sbc-code 111180), schoonmaker gebouwen (Sbc-code 111334) en samensteller kunststof- en rubberindustrie (Sbc-code 271130) met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 74,66% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Bij besluit van 8 augustus 2016 heeft het Uwv appellant met ingang van 26 augustus 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, omdat hij met ingang van die datum 74,66% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 10 augustus 2016 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij recht heeft op een loongerelateerde WIA-uitkering tot en met 31 maart 2017 en niet tot en met 28 juni 2017. Het bezwaar van appellant tegen deze besluiten heeft het Uwv bij besluit van 3 maart 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 26 januari 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 2 maart 2017 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
1.3.
In beroep heeft appellant een verzekeringsgeneeskundig rapport van 5 april 2017 van de verzekeringsarts D. van Arkel overgelegd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat zij geen reden heeft gezien om het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. Voor de fysieke en psychisch klachten van appellant zijn forse beperkingen en een urenbeperking van vier uur per dag/twintig uur per week in de FML van 22 juli 2016 aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de beperkingen van appellant niet onderschat. Het door appellant ingebrachte rapport van de verzekeringsarts Van Arkel heeft niet tot een andersluidend oordeel van de rechtbank geleid. De rechtbank heeft het verzoek van appellant om inschakeling van een onafhankelijke deskundige afgewezen. De rechtbank heeft, uitgaande van de juistheid van de beperkingen in de genoemde FML, geen reden om te twijfelen aan de geschiktheid van de geselecteerde functies.

3.1.
In hoger beroep heeft appellant, samengevat, aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat een onafhankelijke deskundige dient te worden ingeschakeld. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft appellant opnieuw een verzekeringsgeneeskundig rapport van de verzekeringsarts Van Arkel overgelegd. In dit rapport van 11 september 2019 heeft deze verzekeringsarts overwogen dat appellant nog steeds disfunctioneert in persoonlijk en sociaal opzicht wegens een ernstige psychische stoornis. De verzekeringsarts heeft een urenbeperking van twee uur per dag/tien uur per week aangewezen geacht.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 26 augustus 2016 heeft vastgesteld op 74,66%.
4.3.1.
Het oordeel van de rechtbank dat het Uwv een zorgvuldig medisch onderzoek heeft verricht en dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de FML van 22 juli 2016, wordt onderschreven.
4.3.2.
Het door appellant in hoger beroep ingebrachte rapport van de verzekeringsarts Van Arkel leidt niet tot een ander oordeel. Hiertoe wordt als volgt overwogen. De verzekeringsarts Van Arkel heeft de stelling, dat appellant psychisch meer beperkt is dan is aangenomen en dat een urenbeperking van twee uur per dag/tien uur per week aangewezen is geacht, niet onderbouwd. Daar komt bij dat zijn onderzoeksbevindingen zijn gebaseerd op een spreekuurcontact dat bijna zeven maanden na de datum in geding heeft plaatsgevonden op 17 maart 2017. Bovendien zijn de bevindingen van Van Arkel, zoals is toegelicht door het Uwv, niet volledig consistent en is van Arkel in zijn latere rapport teruggekomen van enkele conclusies uit het eerdere rapport. Conclusie is dat er geen aanleiding is te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen van het Uwv vastgestelde, als fors te beschouwen beperkingen. Daarbij wordt nog opgemerkt dat het onderzoek van de primaire verzekeringsarts heeft plaatsgevonden rond de datum in geding, dat daarbij informatie van de huisarts is betrokken en dat is gebleken dat appellant ten tijde van de datum in geding niet onder behandeling stond van een psychiater.
4.3.3.
Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van de beoordeling door het Uwv, wordt geen aanleiding gezien voor het raadplegen van een onafhankelijke deskundige.
4.4.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 22 juli 2016 is er geen grond voor het oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht niet geschikt zijn voor appellant.
4.5.
De overwegingen in 4.3 en 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2019.

(getekend) B.J. van de Griend

De griffier is verhinderd te ondertekenen.