Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:3776

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 28-11-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 28-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:3776, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 16/8097 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:3776:DOC
nl

16


Datum uitspraak: 28 november 2019

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Holland van 18 november 2016, 15/5517 (aangevallen uitspraak 1) en van 27 juli 2017, 16/2186 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft de hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 17 oktober 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C. van der Meer.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is werkzaam geweest als polikliniekassistente voor 31,72 uur per week. Zij heeft zich voor dat werk op 27 september 2010 ziek gemeld vanwege knieklachten en psychische klachten. Bij besluit van 10 september 2012 heeft het Uwv aan appellante een loongerelateerde WIA-uitkering toegekend vanaf 24 september 2012 tot 24 juli 2015 op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Vanaf 1 november 2012 had appellante naast haar WIA uitkering ook inkomsten uit haar werk als front-office medewerker bij de politie, gedurende 24 uur per week. In verband met deze inkomsten heeft het Uwv bij besluit van 3 oktober 2013 bepaald dat appellante aansluitend aan haar loongerelateerde uitkering geen recht meer heeft op een WIA-uitkering.
1.2.
Het dienstverband van appellante bij de politie is geëindigd op 1 november 2014. Met ingang van 3 november 2014 heeft het Uwv aan appellante een WW-uitkering toegekend. Vanuit de WW heeft appellante zich op 19 november 2014 ziek gemeld met psychische klachten. Aan appellante is per 18 februari 2015 een ZW-uitkering toegekend.
1.3.
Bij besluit van 27 mei 2015 heeft het Uwv, na afloop van de duur van haar loongerelateerde uitkering, de WIA-uitkering van appellante ingetrokken vanaf 24 juli 2015 omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en haar gezondheidssituatie sinds 3 oktober 2013 niet is gewijzigd. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Ook heeft appellante zich op 28 juni 2015 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld met ingang van 19 november 2014 omdat volgens appellante op die datum haar gezondheid is verslechterd.
1.4.
Appellante is op 30 juli 2015 onderzocht door een verzekeringsarts. Deze is tot de conclusie gekomen dat appellante vanaf 19 november 2014 volledig arbeidsongeschikt is. De verzekeringsarts heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst (FM) opgesteld die geldig is vanaf 30 juli 2015. Een arbeidsdeskundige heeft op basis van die FML geconcludeerd dat appellante passende functies kan verrichten waardoor zij 19,97% arbeidsongeschikt wordt geacht. In het kader van het bezwaar van appellante heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep een rapport uitgebracht en een gewijzigde FML opgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis van de gewijzigde FML van 20 oktober 2015 geconcludeerd dat weliswaar een deel van de geselecteerde functies niet meer passend is maar dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante niet wijzigt. Bij besluit van 23 oktober 2015 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante gegrond verklaard en aan appellante per 24 juli 2015 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend. Het Uwv heeft die uitkering per 21 oktober 2015 beëindigd omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.5.
Met betrekking tot de per 18 februari 2015 toegekende ZW-uitkering heeft een verzekeringsarts appellante in het kader van de eerstejaars ziektewetbeoordeling (EZWb) gezien en naar aanleiding daarvan op 5 oktober 2015 een FML opgesteld. Een arbeidskundige heeft vervolgens vastgesteld dat appellante op 18 november 2015 meer dan 65% van haar maatmanloon kan verdienen. Bij besluit van 6 november 2015 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellante per 19 december 2015 beëindigd. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hebben zich kunnen vinden in de primaire beoordeling met de aanvulling dat appellante vanwege een ooroperatie niet belastbaar was van 10 november 2015 tot ongeveer 19 december 2015. Appellante werd in staat geacht per 19 december 2015 meer dan 65% van het maatmaninkomen te verdienen. Bij besluit van 24 maart 2016 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante gegrond verklaard en het primaire besluit van 6 november 2015 herzien in die zin dat de ZW-uitkering van appellante met ingang van 20 januari 2016 wordt beëindigd.
2.1.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1. Bij de aangevallen uitspraak 1 is het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het medische onderzoek niet zorgvuldig te achten. De verzekeringsartsen hebben het dossier bestudeerd en appellante onderzocht. De rapporten zijn inzichtelijk en voldoende gemotiveerd. De vastgestelde beperkingen komen overeen met die welke bij de inmiddels uitgevoerde EZWb op 5 oktober 2015 zijn vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de beperkingen van appellante niet onderschat.
2.2.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 2. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het medische onderzoek niet zorgvuldig te achten. De verzekeringsartsen hebben dossierstudie verricht, de hoorzitting bijgewoond en appellante onderzocht. De rapporten zijn inzichtelijk en daarin is afdoende gemotiveerd hoe de beperkingen zijn vastgesteld. Appellante heeft haar stellingen dat zij meer beperkt moet worden geacht niet met een medische rapportage onderbouwd. De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar standpunt dat sprake is van een urenbeperking. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat appellante ook met toepassing van de standaard Duurbelasting uit 2015 niet voldoet aan de criteria om een beperking van de duurbelasting vast te stellen. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat sprake is van een consistent beeld van de dagbesteding in de diverse rapportages zodat niet gebleken is dat de verzekeringsartsen zijn uitgegaan van een onjuist of onvolledig beeld. Uitgaande van de juiste medische grondslag moet appellante in staat worden geacht om de voorbeeldfuncties te verrichten.
3.1.
In de hoger beroepen tegen de aangevallen uitspraken heeft appellante aangevoerd dat de verzekeringsartsen onvoldoende gebruik hebben gemaakt van de door haar behandelaars verstrekte medische informatie. Appellante acht het niet juist dat in de verschillende FML’en sinds 2012 nagenoeg dezelfde beperkingen zijn opgenomen, terwijl haar medische situatie sindsdien is gewijzigd. De verzekeringsartsen hadden op basis van haar verslechterde psychische situatie op de data in geding – voor de WIA is dat 21 oktober 2015 en voor de ZW is dat 20 januari 2016 – meer en verdergaande beperkingen moeten aannemen. Meer in het bijzonder stelt appellante dat haar duurbelastbaarheid is overschat, omdat zij vanwege de samenloop van lichamelijke en psychische gezondheidsproblemen niet in staat is om 40 uur per week te werken. Appellante beroept zich daarbij op de standaard ‘Duurbelastbaarheid in Arbeid’ d.d. 8 juli 2015 die per 1 februari 2016 in de plaats is gekomen van de daarvoor geldende standaard ‘Methode bepaling verminderde arbeidsduur’ d.d. december 2005. Tot slot heeft appellante verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
De beide data in geding – voor de beëindiging van de WIA-uitkering is dat 21 oktober 2015 en voor de beëindiging van de ZW-uitkering is dat 19 januari 2016 – liggen dicht bij elkaar. Zowel appellante als het Uwv gaan er van uit dat de klachten en belastbaarheid van appellante op beide momenten vergelijkbaar zijn geweest. In de hoger beroepen tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2 zijn nagenoeg dezelfde gronden aangevoerd. Om deze redenen zal de Raad de beide hoger beroepen gezamenlijk bespreken.
4.2
De hoger beroepsgronden zijn in essentie een herhaling van de gronden die appellante in beroep tegen de bestreden besluiten heeft aangevoerd. Deze gronden komen er op neer dat de verzekeringsartsen van het Uwv onvoldoende rekening hebben gehouden met haar psychische klachten.
4.3
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische onderzoeken door de verschillende verzekeringsartsen zorgvuldig zijn geweest. Zij hebben bij hun beoordeling van de medische situatie en beperkingen steeds rekening gehouden met de door appellante verstrekte informatie van haar huisarts en psychologen. Dat mogelijk de klachten van appellante niet in de mate waarin zij die zelf ervaart in beperkingen zijn vertaald, betekent niet dat de klachten van appellante niet serieus zijn genomen
4.4.
Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat uit de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid uit 2015 volgt dat het onderzoek door de verzekeringsartsen naar de duurbelastbaarheid van appellante onzorgvuldig is geweest. Het oordeel van de rechtbank zoals hiervoor weergegeven onder 2.2. wordt onderschreven. In verschillende rapportages is aandacht besteed aan de duurbelasting, en meegewogen dat appellante in haar dagverhaal aangeeft goede en slechte dagen te hebben. Naar het oordeel van de Raad is er op het punt van de duurbelastbaarheid met het in de rapportages consistent weergegeven dagverhaal geen sprake van zodanige twijfel of onduidelijkheid, dat de verzekeringsartsen daarin aanleiding hadden moeten zien voor nader onderzoek of het opvragen van aanvullende informatie.
4.5
Op basis van eigen onderzoek en deze aanvullende informatie hebben de verzekeringsartsen in de verschillende FML’en beperkingen opgenomen die voortvloeien uit de medische klachten van appellante. Daarbij zijn de verzekeringsartsen onder meer uitgegaan van de aanwezigheid van een depressieve stoornis bij appellante grotendeels in remissie en persoonlijkheidsproblematiek. Zij hebben naar aanleiding van wat appellante in bezwaar heeft aangevoerd de beperkingen bijgesteld door appellante ook beperkt te achten voor conflicthantering en rekening te houden met een tijdelijke toename van beperkingen ten gevolge van een ooroperatie. Uit de verklaringen van de behandelaars blijkt niet dat sprake is van een ernstiger depressief beeld; ook zij beschrijven een depressieve stoornis en daarnaast persoonlijkheidsproblematiek. Uit die verklaringen kan voorts niet worden afgeleid dat bij appellante sprake is van meer of andere medische beperkingen dan die door de verzekeringsartsen zijn aangenomen. De lichamelijke en psychische klachten van appellante zijn voor zover medisch objectiveerbaar, door de verzekeringsartsen kenbaar in hun afweging betrokken. Uit het feit dat in een FML uit 2012 soortgelijke beperkingen zijn aangenomen, volgt niet dat de verschillende FML’en uit 2015 daarom onjuist zijn; de FML’en uit 2015 berusten op zorgvuldig en actueel onderzoek.
4.6.
Ook in hoger beroep heeft appellante geen medische informatie overgelegd die aanleiding geeft tot twijfel aan het medisch oordeel van de verzekeringsartsen. Voor inschakeling van een onafhankelijk medisch deskundige bestaat dan ook geen aanleiding.
4.7.
Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op 21 oktober 2015 en 20 januari 2016 juist heeft vastgesteld zodat de hoger beroepen niet slagen.
4.8.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet als voorzitter en T. Dompeling en W.R. van der Velde als leden, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2019.