Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:3774

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 28-11-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 28-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:3774, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/1548 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:3774:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 28 november 2019

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 januari 2017, 16/4304 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.H. Klijnstra, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2019. Namens appellante is mr. Klijnstra verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steenman.
Het onderzoek is heropend na de zitting om partijen in de gelegenheid te stellen nadere medische informatie over te leggen.

Partijen hebben medische informatie ingediend en gereageerd op elkaars standpunten.

Partijen hebben desgevraagd verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is werkzaam geweest als manager projecten voor 22,68 uur per week. Metingang van 25 april 2011 heeft zij zich ziek gemeld met psychische en fysieke klachten. Zij ontving op dat moment een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Met ingang van 22 april 2013 heeft het Uwv appellante in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 63%. Met ingang van 1 juli 2014 is appellante in aanmerking gebracht voor een WGA-vervolguitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65%.
1.2.
Bij besluit van 17 oktober 2014 heeft het Uwv de WGA-vervolguitkering van appellante per 1 januari 2015 verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%. Bij besluit van 18 augustus 2015 heeft het Uwv het tegen dit besluit gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de verlaging van de uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55% doen ingaan op 1 november 2015.
1.3.
Appellante heeft verzocht om een herbeoordeling omdat zij vanaf 18 februari 2015toegenomen arbeidsongeschikt is ten gevolge van een breuk in de linkerelleboog. Een verzekeringsarts heeft appellante op een spreekuur gezien en haar belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 januari 2016. Een arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante berekend op 50,54%. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 19 januari 2016 bepaald dat de WGA-vervolguitkering van appellante per 18 februari 2015 ongewijzigd blijft. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv met de beslissing van 10 juni 2016 (bestreden besluit) gegrond verklaard. Het Uwv heeft hierbij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 18 februari 2015 vastgesteld op 51,68%, waarmee appellante blijft binnen dezelfde arbeidsongeschiktheidsklasse. De hoogte van de WGA-vervolguitkering op en na 18 februari 2015 is gehandhaafd. Aan het bestreden besluit liggen een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig onderzoek ten grondslag ligt. De verzekeringsarts heeft appellante onderzocht en kennisgenomen van de informatie van de huisarts en van een in een eerdere procedure op verzoek van het Uwv uitgebracht psychiatrisch rapport. In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante niet kunnen onderzoeken wegens ziekte van appellante, maar wel kennisgenomen van alle in bezwaar ingebrachte informatie van de behandelend artsen van appellante. De rechtbank is van oordeel dat uit de rapporten van de verzekeringsartsen van 4 januari 2016 en 10 mei 2016 niet expliciet blijkt dat een beoordeling had plaatsgevonden van de beperkingen van appellante ten gevolge van de linkerelleboog op de datum in geding, zodat het bestreden besluit niet voorzien was van een deugdelijke medische grondslag en motivering. Met het in beroep uitgebrachte rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 juli 2016 is naar het oordeel van de rechtbank de medische belastbaarheid van appellante echter op inhoudelijk overtuigende en inzichtelijke wijze gemotiveerd. Ten gevolge van de breuk in de linkerarm waren er bij appellante op 18 februari 2018 tijdelijk extra beperkingen aanwezig die zijn verwerkt in de FML van 4 januari 2016. Hiermee had appellante nog wel duurzaam benutbare mogelijkheden. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, maar daarbij het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellante en bepaald dat het Uwv het door haar betaalde griffierecht dient te vergoeden.
3.1.
Appellante heeft aangevoerd dat het medisch onderzoek van het Uwv niet zorgvuldig is geweest en dat haar beperkingen zijn onderschat. Door het Uwv is onvoldoende onderkend dat zij per 18 februari 2015, de dag na haar val, vanwege pijnklachten en het gebruik van een drukverband en een zogenoemde sling haar arm in het geheel niet kon belasten.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit
4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.
Het hoger beroep van appellante is gericht tegen de beslissing van de rechtbank om haar beroep ongegrond te verklaren. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of het Uwv de bij appellante op de datum in geding aanwezige beperkingen ten gevolge van een breuk in haar linkerelleboog juist heeft vastgesteld.
4.2.
De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat het Uwv een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit. De Raad onderschrijft wat de rechtbank daartoe in overweging 3.1 van de aangevallen uitspraak heeft overwogen en maakt deze overwegingen tot de zijne.
4.3.
De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat er geen aanknopingspunten aanwezig zijn om te twijfelen aan het medisch standpunt van de verzekeringsartsen over de op de datum in geding aanwezige beperkingen. In de rapporten van de verzekeringsartsen van 4 januari 2016, 10 mei 2016 en 14 juli 2016 is de informatie van de behandelend artsen besproken waaruit blijkt dat op 18 februari 2015 bij appellante een radiuskopfractuur is geconstateerd aan de niet dominante linkerelleboog die met een drukverband en een sling is behandeld. Er was geen dislocatie die een operatie noodzakelijk maakte. De controlefoto toonde een goede genezing van de breuk. In de verzekeringsgeneeskundige rapporten komt inzichtelijk naar voren dat in de FML voor wat betreft de linkerarm tijdelijk extra beperkingen zijn aangenomen op het gebied van onder meer tillen en dragen en knijpkracht. De verzekeringsartsen hebben als diagnose een complex regionaal pijnsyndroom gesteld en geen aanleiding gezien om appellante meer beperkt te achten in hand- en vingervaardigheid of toetsenbordgebruik dan in de FML is opgenomen, of anderszins verdergaande beperkingen aan te nemen. De arm van appellante was volgens de behandelend artsen immers oefenstabiel, er waren geen medische indicaties om de arm niet te gebruiken en de toenemende pijnklachten konden niet worden verklaard. Er was sprake van maatschappelijke en psychologische onderhoudende factoren.
4.4.
De door appellante in hoger beroep ingebrachte medische informatie geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Het rapport van verzekeringsarts J.H. Wijers van 20 februari 2017 is niet gebaseerd op eigen onderzoek van appellante. Bovendien heeft Wijers niet concreet uiteengezet hoe hij tot de door hem gestelde forse beperkingen op het gebied van onder andere hand- en vingervaardigheid is gekomen, noch wordt in zijn rapport een objectiveerbare oorzaak genoemd voor de klachten van appellante. De verzekeringsartsen bezwaar en beroep hebben in hun rapporten van 10 maart 2017, 14 maart 2017 en 27 mei 2019 gereageerd op het rapport van Wijers en nogmaals op inzichtelijke wijze uiteengezet hoe in de FML rekening is gehouden met een verminderde belastbaarheid en beweeglijkheid van de linkerelleboog en een verminderde belastbaarheid van de linkerhand. De door appellante ervaren pijnklachten geven wel aanleiding voor beperkingen voor krachtig en veelvuldig gebruik van de hand en arm, maar vormen geen reden voor de door Wijers vastgestelde forse beperkingen nu geen sprake is van geobjectiveerde afwijkingen. Dat in het door appellante overgelegde voortgangsverslag van 29 april 2015 blijkens de anamnese sprake was van pijnklachten en krachtsverlies, levert in het licht van het voorgaande geen nieuwe medische informatie op die aanleiding geeft om de door het Uwv vastgestelde beperkingen voor onjuist te houden.
4.5.
De Raad volgt appellante niet in het standpunt dat reeds het dragen van een drukverband en sling aanleiding zou moeten geven om appellante zwaarder beperkt te achten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 29 juli 2019 toegelicht dat het dragen van een drukverband en sling van zeer korte duur is (vijf tot zeven dagen respectievelijk één tot twee weken) zodat dit niet tot uitdrukking is gebracht in de FML. Het is juist van groot belang om de arm na het verwijderen van het drukverband te mobiliseren. Gelet op deze toelichting, die de Raad overtuigend acht, kan het Uwv worden gevolgd in het standpunt dat er geen reden was om appellante per 28 februari 2015 en per einde wachttijd op 18 april 2015 meer beperkt te achten.
4.6.
Uitgaande van de juistheid van de FML zijn de geselecteerde functies passend te beschouwen en kan de rechtbank worden gevolgd in het oordeel dat het Uwv de WGA-vervolguitkering van appellante op en na 18 februari 2015 terecht ongewijzigd heeft voortgezet. Dat betekent dat het hoger beroep niet slaagt.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en T. Dompeling als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2019.
(getekend) M. Greebe

De griffier is verhinderd te ondertekenen.


CVG