Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:3768

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 27-11-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 27-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:3768, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/430 ZW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:3768:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 27 november 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 december 2017, 17/5179 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[naam B.V.] (werkgeefster)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.M. Prins, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft op 11 juli 2019 een gewijzigde beslissing op bezwaar, geregistreerd onder nummer 19/3123 ZW, genomen.

Appellante heeft op het gewijzigde besluit gereageerd. Werkgeefster heeft te kennen gegeven als partij aan het geding te willen deelnemen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2019. Namens appellante is verschenen mr. Prins. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal. Werkgeefster is niet verschenen.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als cateringmedewerkster bij [naam bedrijf 1] gedurende 11,70 uur per week en bij [naam B.V.] gedurende 10,57 uur per week, en als interieurverzorgster bij [naam bedrijf 2] gedurende 17,44 uur per week. Op 7 december 2015 heeft zij zich ziek gemeld voor de werkzaamheden bij [naam bedrijf 1] en [naam B.V.], en op 18 januari 2016 voor de werkzaamheden bij [naam bedrijf 2] Het Uwv heeft appellante twee uitkeringen op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.2.
In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een arts van het Uwv appellante op 24 oktober 2016 gezien. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 oktober 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet in staat is haar eigen werk als cateringmedewerkster en interieurverzorgster te verrichten, vervolgens drie functies geselecteerd en op basis van die functies berekend dat appellante per beoordelingsdata 5 december 2016 respectievelijk 16 januari 2017 nog 84,43% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 1 december 2016 vastgesteld dat appellante met ingang van 6 januari 2017 geen recht meer heeft op ziekengeld voortvloeiend uit haar dienstverband met [naam bedrijf 1] en [naam B.V.], omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Bij besluit van 2 december 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 17 februari 2017 geen recht meer heeft op ziekengeld voortvloeiend uit haar dienstverband met [naam bedrijf 2], omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 december 2016 heeft het Uwv bij besluit van 22 juni 2017 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 maart 2017 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 22 juni 2017 ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

3.1.
In hoger beroep heeft appellante herhaald dat het Uwv haar ziektebeeld te positief heeft ingeschat, als gevolg waarvan haar arbeidsmogelijkheden te rooskleurig zijn beoordeeld. De FML van 24 oktober 2016 is dan ook onzorgvuldig opgesteld en onjuist. Appellante heeft herhaald dat zij (meer) beperkt is op de items 2.2 (horen), 3.7 (geluidsbelasting), 4.2 (localisatie beperkingen), 4.10 (buigen), 4.11 (frequent buigen tijdens het werk), 4.12 (torderen), 4.22 (knielen of hurken), 5.1 (zitten), 5.2 (zitten tijdens het werk), 6.2 (uren per dag) en 6.3 (uren per week). Appellante heeft gesteld dat zij dus ook de voor haar geselecteerde functies niet kan verrichten.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4.1.
Het Uwv heeft in de loop van de hoger beroepsprocedure een nieuw besluit (bestreden besluit 2) op het bezwaar van appellante genomen. In dat besluit van 11 juli 2019 heeft het Uwv het bezwaar van appellante alsnog ook gericht geacht tegen het in 1.2 genoemde besluit van 1 december 2016, en vervolgens de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 1 december 2016 en 2 december 2016 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit 2, voor zover dat ziet op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 december 2016, liggen aanvullende rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 juli 2019 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 25 juni 2019 ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 5 juli 2019 vastgesteld dat de door de arts van het Uwv op 24 oktober 2016 opgestelde FML niet alleen van toepassing is op beoordelingsdatum 16 januari 2017 maar ook op beoordelingsdatum 6 januari 2017 (bedoeld zal zijn: 5 december 2016). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 25 juni 2019 toegelicht dat de EZWb-en zijn uitgevoerd per beoordelingsdatum 5 december 2016 en dat de per beoordelingsdatum 5 december 2016 voor appellante geselecteerde functies ook op 16 januari 2017 nog actueel zijn.
4.2.
Appellante heeft wat betreft de gronden tegen het, bij het bestreden besluit 2 gehandhaafde, besluit van 1 december 2016 verwezen naar de gronden tegen het besluit van 2 december 2016.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Processueel

5.1.
Met bestreden besluit 2 is niet tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellante. Hieruit vloeit voort dat bestreden besluit 2, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in deze procedure wordt betrokken.
5.2.
Aangezien het Uwv het standpunt als verwoord in bestreden besluit 1 heeft gewijzigd, dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Bestreden besluit 1 wordt eveneens vernietigd.
Inhoudelijke beoordeling

6.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).
6.2.
Gelet op bestreden besluit 2 is aan de orde de vraag of het Uwv de ZW-uitkeringen van appellante terecht heeft beëindigd per 6 januari 2017 respectievelijk 17 februari 2017.
6.3.
Geoordeeld wordt dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is geweest. Daartoe wordt overwogen dat de voor het Uwv werkzame arts een lichamelijk en psychisch onderzoek heeft verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook lichamelijk en psychisch onderzoek verricht, heeft informatie opgevraagd bij de huisarts van appellante en heeft de ontvangen informatie van de huisarts en neuroloog bij de beoordeling betrokken. De rapporten van 24 oktober 2016 van de voor het Uwv werkzame arts en die van 29 maart 2017 en 5 juli 2019 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn bovendien inzichtelijk en consistent opgesteld.
6.4.
Er bestaat geen aanleiding te concluderen dat het Uwv de beperkingen van appellante, als vastgesteld in de FML van 24 oktober 2016, heeft onderschat. De voor het Uwv werkzame arts heeft de functionele mogelijkheden van appellante vastgesteld, waarbij rekening is gehouden met beperkingen die voortvloeien uit haar rug- en schouderklachten en haar persoonlijk en sociaal functioneren. In de, door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschreven, FML van 24 oktober 2016 zijn daartoe diverse beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren, aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden. Appellante heeft in beroep en hoger beroep geen medische informatie ingebracht die twijfel oproept aan de juistheid van de medische beoordeling.
6.5.
Uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde belastbaarheid in de FML van 24 oktober 2016, moet appellante in staat worden geacht om de voor haar geselecteerde functies te vervullen.
6.6.
Uit 6.3 tot en met 6.5 volgt dat het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond moet worden verklaard.
7. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante, tot een bedrag van € 1.024,- in beroep en een bedrag van eveneens € 1.024,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2019.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) H. Spaargaren

-

vernietigt de aangevallen uitspraak;

verklaart het beroep van appellante tegen het besluit van 22 juni 2017 gegrond en vernietigt dat besluit;

verklaart het beroep van appellante tegen het besluit van 11 juli 2019 ongegrond;

veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.048,-;

bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt;