Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:3766

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 27-11-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 27-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:3766, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/5780 WW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:3766:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 27 november 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 juli 2017, 16/6800 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. Celebi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2019. Namens appellant is mr. N. Roodenburg verschenen, als waarnemer van mr. Celebi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Puister.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant heeft op 3 augustus 2015 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd per 15 juli 2015.
1.2.
Bij besluit van 4 februari 2016 heeft het Uwv appellant per 15 juli 2015 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering voor de duur van drie maanden.

1.3.
Om de hoogte van de WW-uitkering te kunnen vaststellen, heeft het Uwv appellant bij brief van 29 februari 2016 verzocht om de formulieren Inkomstenopgave (Inkomstenopgaven) over de maanden juli 2015 tot en met oktober 2015 in te vullen en te retourneren. Daarbij is appellant een termijn gesteld tot en met 6 maart 2016.
1.4.
Bij besluit van 9 maart 2016 heeft het Uwv de betaling van de WW-uitkering van appellant opgeschort, omdat hij het Uwv niet de gevraagde gegevens heeft verstrekt. Hierdoor is het recht op en de hoogte van de WW-uitkering niet vast te stellen. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.5.
Tijdens de bezwaarprocedure heeft het Uwv appellant opnieuw in de gelegenheid gesteld om de Inkomstenopgaven over de periode van juli tot en met oktober 2015 in te dienen, indien nodig met hulp van derden.
1.6.
Bij beslissing op bezwaar van 12 juli 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 maart 2016 ongegrond verklaard.
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant geen Inkomstenopgaven aan het Uwv heeft toegezonden, ondanks dat het Uwv hem daar meerdere keren (schriftelijk) om heeft verzocht en daarnaast meerdere keren telefonisch contact heeft opgenomen met de gemachtigde van appellant om via hem in het bezit te komen van de benodigde gegevens. Omdat het uitblijven van de verzochte gegevens verband zou houden met een verstandelijke beperking van appellant, heeft het Uwv in beroep nogmaals de Inkomstenopgaven over de maanden juli 2015 tot en met oktober 2015 per post naar appellant in persoon en naar zijn gemachtigde gezonden met het verzoek deze ingevuld te retourneren. Het Uwv heeft daarop geen reactie ontvangen. Dat betekent dat het ervoor moet worden gehouden dat het Uwv beschikte over onvoldoende gegevens om te kunnen vaststellen of appellant vanaf 15 juli 2015 recht heeft op een WW-uitkering. Daarbij is van belang dat het Uwv ter zitting heeft toegelicht dat inkomsten van een verzekerde alleen deels via de loonbelastingaangifte zijn te controleren en dat een verzekerde daarom ook zelf moet doorgeven of nog sprake is van inkomsten uit andere bron. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen en heeft het Uwv terecht de betaling van de WW-uitkering opgeschort.
2.2.
Over de beroepsgrond dat het Uwv ten onrechte een hoorzitting achterwege heeft gelaten, heeft de rechtbank overwogen dat een hoorzitting er in dit geval toe had kunnen dienen om nadere informatie ter beschikking te krijgen en een oplossing te zoeken voor de problemen. Het Uwv had appellant daarom naar het oordeel van de rechtbank in de gelegenheid moeten stellen om te worden gehoord. De rechtbank heeft de schending van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat aannemelijk is dat appellant hierdoor niet is benadeeld. Appellant heeft in beroep alsnog zijn standpunten mondeling toegelicht. Daarnaast is appellant in beroep nogmaals in de gelegenheid gesteld om de Inkomstenopgaven aan het Uwv op te sturen.

3.1.
Appellant heeft in hoger beroep de in beroep aangevoerde gronden herhaald. Deze komen erop neer dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid, omdat het Uwv ervan op de hoogte was dat appellant niet via de computer kan communiceren en ook niet in staat is schriftelijk te communiceren. Volgens appellant had het Uwv een voor zijn situatie passende mogelijkheid moeten bieden om te kunnen voldoen aan het verzoek van het Uwv. Ook heeft het Uwv appellant ten onrechte niet gehoord.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Appellant heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant uitvoerig besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, zoals samengevat weergegeven in de overwegingen 2.1 en 2.2, worden onderschreven. Voor een andersluidend oordeel zijn in hoger beroep geen aanknopingspunten. Appellant heeft ook in hoger beroep niet onderbouwd waarom hij niet in staat was om, eventueel met hulp van zijn gemachtigde, de Inkomstenopgaven in te vullen en aan het Uwv op te sturen.
4.2.
Uit wat is overwogen in 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van C.I. Heijkoop als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2019.

(getekend) S. Wijna

(getekend) C.I. Heijkoop