Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:3765

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 27-11-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 27-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:3765, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/4016 ZW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:3765:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 27 november 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 april 2017, 17/213 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.L. Ross, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft op verzoek van de Raad nadere stukken overgelegd.

Bij brief van 27 maart 2018 heeft mr. Ross zich als gemachtigde onttrokken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2019. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 1 november 2016 heeft het Uwv besloten dat appellante vanaf 8 september 2016 volgens de Ziektewet (ZW) wel arbeidsongeschikt is, maar dat de beperkingen niet meer het gevolg zijn van zwangerschap of bevalling. Bovenaan het besluit is vermeld dat als appellante het niet eens is met de beslissing, zij binnen twee weken na de datum van ondertekening van het besluit schriftelijk bezwaar kan indienen. Het besluit van 1 november 2016 is op 2 november 2016 aan appellante verzonden.
1.2.
Appellante heeft op 21 november 2016 digitaal bezwaar gemaakt tegen het besluit van 1 november 2016.
1.3.
Bij brief van 29 november 2016 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat haar bezwaarschrift te laat is ingediend. Appellante is in de gelegenheid gesteld om aan het Uwv kenbaar te maken wat de reden is geweest dat zij het bezwaarschrift te laat heeft ingediend.
1.4.
Op 14 december 2016 heeft appellante telefonisch aan een medewerker Bezwaar van het Uwv toegelicht waarom ze het bezwaarschrift pas op 21 november 2016 heeft ingediend.
1.5.
Bij besluit van 15 december 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat uit de door appellante op 14 december 2016 gegeven telefonische toelichting niet blijkt dat sprake is geweest van bijzondere omstandigheden, waardoor appellante niet in de gelegenheid was om tijdig een bezwaarschrift in te dienen.

2.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante er door het Uwv verschillende keren op is gewezen dat zij binnen twee weken na dagtekening van het besluit schriftelijk bezwaar kon indienen. De mogelijkheid om schriftelijk bezwaar te maken staat vermeld in het besluit van 1 november 2016. Daarnaast heeft appellante gesteld dat zij op 7 november 2016 en op 14 november 2016 telefonisch contact heeft gehad met een medewerker van het Uwv en dat zij er in die gesprekken op is gewezen, al dan niet in juridische bewoordingen, dat zij een bezwaarschrift kon indienen. Appellante heeft gesteld dat zij naar aanleiding van het telefonisch contact op 7 november 2016 een handgeschreven brief met haar medisch dossier heeft afgegeven bij het Uwv-kantoor in Eindhoven, maar dit is door haar niet onderbouwd. Het Uwv is met de brief niet bekend, appellante kan geen ontvangstbevestiging tonen en ook kan zij geen kopie van haar brief overleggen. Dit komt naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van appellante. De rechtbank heeft dan ook geen aanknopingspunt om aan te nemen dat appellante op 7 november 2016 tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 1 november 2016. De rechtbank gaat er daarom van uit dat appellante voor het eerst op 21 november 2016 een bezwaarschrift heeft ingediend.
2.2.
Het Uwv heeft het besluit van 1 november 2016 op 2 november 2016 bekend gemaakt door verzending per post. Dit betekent dat de bezwaartermijn loopt tot en met 16 november 2016. Nu het bezwaarschrift van appellante op 21 november 2016 door het Uwv is ontvangen, is het bezwaarschrift na afloop van de bezwaartermijn ingediend. De door appellante aangevoerde omstandigheden vormen naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat, ook indien appellante zou worden gevolgd in haar stelling dat het voor haar pas op 14 november 2016 duidelijk was dat zij schriftelijk bezwaar moest maken, zij op dat moment nog tijdig een bezwaarschrift had kunnen indienen omdat de bezwaartermijn nog niet was verstreken. Niet is gebleken dat appellante door haar psychische klachten niet in staat was om tijdig een bezwaarschrift in te dienen. Ook de veelvuldige bezoeken van appellante aan haar ernstig zieke schoonmoeder in het ziekenhuis in de week van 14 november 2016 vormen naar het oordeel van de rechtbank geen reden om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellante desnoods pro forma bezwaar had kunnen maken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 november 2016 terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

3.1.
Appellante heeft in hoger beroep de in beroep aangevoerde gronden herhaald. Deze komen erop neer dat appellante zich ten eerste op het standpunt stelt dat zij wel tijdig bezwaar heeft gemaakt, namelijk op 7 november 2016. Op deze datum heeft appellante stukken ingeleverd bij de receptie van het UWV-kantoor in Eindhoven. Appellante heeft geen kopie van deze stukken en evenmin een bevestiging van ontvangst van het Uwv, maar dat neemt volgens appellante niet weg dat zij wel degelijk een bezwaarschrift heeft ingediend bij de receptie van het Uwv-kantoor. Volgens appellante is in een telefoongesprek op 14 november 2016 met een medewerker van het Uwv meegedeeld dat de stukken die appellante had ingediend, niet werden geaccepteerd. Dit duidt er volgens appellante op dat het Uwv de stukken wel heeft ontvangen. Dat hiervoor geen steun is te vinden in de gedingstukken dient volgens appellante niet voor haar risico te komen. Ten tweede heeft appellante aangevoerd dat, als wordt geoordeeld dat het bezwaarschrift te laat is ingediend, er sprake is van omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht. Appellante heeft ter onderbouwing van dit standpunt dezelfde omstandigheden aangevoerd als in beroep.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Niet in geschil is dat de bezwaartermijn voor het besluit van 1 november 2016 is aangevangen op 2 november 2016 en eindigde op 16 november 2016. Ter beoordeling ligt voor of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 november 2016 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

4.2.
Voor de toepasselijke wettelijke bepalingen wordt verwezen naar overweging 1 van de aangevallen uitspraak.
4.3.
Appellante heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante uitvoerig besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, zoals samengevat weergegeven in de overwegingen 2.1 en 2.2, worden onderschreven. Voor een andersluidend oordeel zijn in hoger beroep geen aanknopingspunten. Appellante heeft ook in hoger beroep niet met stukken aannemelijk gemaakt dat zij op 7 november 2016 schriftelijk bezwaar heeft gemaakt. Dit komt voor haar risico. Evenmin heeft appellante in hoger beroep haar stelling onderbouwd dat zij wegens psychische klachten niet in staat was om tijdig bezwaar te maken.
4.4.
Uit wat is overwogen in 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van C.I. Heijkoop als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2019.

(getekend) S. Wijna

(getekend) C.I. Heijkoop