Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:3762

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 27-11-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 27-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:3762, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18-470 AWBZ


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:3762:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 27 november 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 december 2017, 16/4029, 16/4030, 16/4032 en 16/4027 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellant mr. L. van Dinter, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2019. Namens appellant zijn verschenen mr. Van Dinter en [naam 1] , wettelijk vertegenwoordiger en bewindvoerder van appellant. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Hartman.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Het zorgkantoor heeft aan appellant op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voor de jaren 2011, 2012, 2013 en 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend.
1.2.
Bij besluit van 4 maart 2015 heeft het zorgkantoor het pgb van appellant voor het jaar 2011 vastgesteld op € 18.179,80 en een bedrag van € 3.170,81 van hem teruggevorderd.
1.3.
Bij een tweede besluit van 4 maart 2015 heeft het zorgkantoor het pgb van appellant voor het jaar 2012 vastgesteld op € 17.051,79 en een bedrag van € 30.348,34 van hem teruggevorderd.
1.4.
Bij brieven van 28 november 2014 en 29 november 2014 heeft het zorgkantoor, na een administratief vooronderzoek, de door appellant ingediende verantwoording van de besteding van het pgb over de tweede helft van het jaar 2013 afgekeurd.
1.5.
Bij besluit van 31 december 2014 heeft het zorgkantoor het pgb van appellant voor het jaar 2013 vastgesteld op € 24.705,81 en een bedrag van € 22.348,47 van hem teruggevorderd.
1.6.
Bij besluit van 9 oktober 2015 heeft het zorgkantoor het pgb van appellant voor het jaar 2014 vastgesteld op € 25.220,72 en een bedrag van € 17.108,60 van hem teruggevorderd.
1.7.
Bij drie afzonderlijke besluiten van 9 mei 2016 (bestreden besluiten 1, 2 en 3) heeft het zorgkantoor de bezwaren tegen de onder 1.2 en 1.3 vermelde besluiten en de onder 1.4 vermelde brieven ongegrond verklaard.
1.8.
Bij een vierde besluit van 9 mei 2016 (bestreden besluit 4) heeft het zorgkantoor, beslissend op het bezwaar tegen het onder 1.6 vermelde besluit, het pgb voor het jaar 2014 nader vastgesteld op € 42.020,72 en de terugvordering verlaagd naar een bedrag van € 308,60.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 tot en met 4 ongegrond verklaard, met bijkomende beslissingen inzake de vergoeding van griffierecht en proceskosten in het beroep tegen bestreden besluit 3. De rechtbank is van oordeel dat appellant in de in geschil zijnde perioden niet heeft voldaan aan de aan het pgb verbonden verplichtingen en dat de belangenafweging van het zorgkantoor over deze perioden niet onevenredig is. Ten aanzien van bestreden besluit 1 heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op de verklaring van de zijde van appellant ter zitting, de omvang van het geding over het jaar 2011 beperkt is tot de kosten voor de zorgverleners [naam 2] en [naam 3] . Nu de kosten voor zorgverlener [naam 2] in 2011 volledig zijn goedgekeurd door het zorgkantoor behoeft dit verder geen bespreking. De kosten voor zorgverlener [naam 3] zijn door het zorgkantoor terecht niet geaccepteerd omdat appellant die kosten met geen enkel bewijsstuk heeft onderbouwd. Het komt voor rekening en risico van appellant dat hij, wegens het vertrek van [naam 3] naar Turkije, niet alsnog bewijsstukken van de door hem geleverde zorg kan overleggen. Ten aanzien van bestreden besluit 2 heeft de rechtbank overwogen dat de verantwoorde kosten voor twee vakanties in Turkije terecht niet zijn geaccepteerd omdat op grond van de daarover verstrekte informatie niet kan worden vastgesteld welke zorg is verleend en wat daarvoor is betaald. Het ligt op de weg van appellant om vertalingen van de in het Turks opgestelde stukken te overleggen. De verantwoorde kosten voor zorgverlener [naam 1] zijn terecht niet geaccepteerd omdat op grond van de stukken niet valt vast te stellen wanneer precies welke zorg is verleend en welk bedrag voor deze zorg is betaald. Ten aanzien van bestreden besluit 3 heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op de vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 11 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2794) het bezwaar gericht had moeten worden geacht tegen het onder 1.5 vermelde besluit van 31 december 2014. Nu het zorgkantoor dit heeft nagelaten, wordt het beroep tegen bestreden besluit 3 gericht geacht tegen het besluit van 31 december 2013. Het zorgkantoor heeft de kosten over de tweede helft van 2013 kunnen afwijzen reeds omdat de zorgverleners niet giraal zijn betaald. Ten aanzien van bestreden besluit 4 heeft de rechtbank overwogen dat het zorgkantoor gevolgd wordt in zijn standpunt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de over de tweede helft van 2014 verantwoorde reiskosten voor de zorgverleners [naam 4] en [naam 5] daadwerkelijk zijn gemaakt. De reiskosten zijn niet terug te vinden op de loonstroken en niet is gebleken dat deze kosten naast het loon aan de zorgverleners zijn vergoed. De kosten voor [naam 1] zijn voorts, onder verwijzing naar de voor het jaar 2012 en de tweede helft van het jaar 2013 gegeven motivering, terecht afgewezen.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 tot en met 4 ongegrond zijn verklaard. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met de eerder in de procedure naar voren gebrachte gronden. Kort samengevat wordt gesteld dat ten onrechte bedragen worden teruggevorderd omdat in de aan de orde zijnde perioden AWBZ-zorg is geleverd en de zorgverleners door middel van ondertekende kwitanties te kennen hebben gegeven dat zij contant betaald zijn voor de geleverde zorg.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Niet in geschil is dat appellant niet heeft voldaan aan de administratieve verplichtingen van artikel 2.6.9 van de Rsa en het zorgkantoor als gevolg daarvan bevoegd was om de pgb’s over de jaren 2011 tot en met 2014 lager vast te stellen dan de bij de verlening bepaalde bedragen.
4.2.
Uit vaste rechtspraak van de Raad (zie de uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635) vloeit voort dat bij de uitoefening van die bevoegdheid een belangenafweging moet worden gemaakt, die niet mag leiden tot een voor de verzekerde onevenredige uitkomst. Bij deze afweging is van belang of de verzekerde, ondanks dat door hem niet aan de gestelde verplichtingen is voldaan, voldoende aannemelijk en inzichtelijk heeft gemaakt dat de gedeclareerde zorg daadwerkelijk is verleend, dat deze zorg uit het pgb mag worden betaald en dat voor deze zorg daadwerkelijk is betaald. Nu de bewijslast in deze op de verzekerde rust, draagt hij het bewijsrisico. Als door de verzekerde onvoldoende aannemelijk en inzichtelijk wordt gemaakt dat, en in welke omvang, AWBZ-zorg is verleend en betaald, dient zijn belang te wijken voor het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichtingen.
4.3.
Voorop staat dat de verantwoording van de besteding van het pgb de eigen verantwoordelijkheid is van de verzekerde. Dit uitgangspunt blijft ook overeind indien, zoals in het geval van appellant, het beheer van het pgb door een bewindvoerder is verricht. Als door het handelen of nalaten van de bewindvoerder de besteding van het pgb niet overeenkomstig de daarvoor geldende regels is verantwoord, komt dat in de relatie tussen de verzekerde en het zorgkantoor voor rekening en risico van de verzekerde.
4.4.
In de overwegingen van de aangevallen uitspraak is de rechtbank ingegaan op de gronden die appellant in beroep naar voren heeft gebracht en heeft zij deugdelijk en toereikend gemotiveerd waarom deze gronden niet kunnen leiden tot een vernietiging van de bestreden besluiten. De rechtbank heeft uitgebreid gemotiveerd waarom appellant niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast, als vermeld in 4.2, zodat het zorgkantoor bij de vaststelling van het pgb over de jaren 2011 tot en met 2014 geen aanleiding heeft hoeven zien om meer kosten als zijnde besteed aan AWBZ-zorg in aanmerking te nemen dan het zorgkantoor bij de bestreden besluiten heeft gedaan. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe gronden naar voren gebracht, geen nadere stukken overgelegd ter onderbouwing van de afgewezen zorgkosten of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en het oordeel waartoe zij in de aangevallen uitspraak is gekomen. Ten aanzien van de afgewezen zorgkosten over de tweede helft van 2013 wordt hier nog aan toegevoegd dat, voor zover bepaalde activiteiten van de zorgverleners kunnen worden aangemerkt als zorg die uit het pgb betaald mag worden, wegens het ontbreken van gespecificeerde urendeclaraties niet kan worden vastgesteld in welke omvang sprake is geweest van het verlenen van AWBZ-zorg. Tezamen met het gegeven dat de door de wetgever vereiste betalingsbewijzen ontbreken, is hierdoor een situatie ontstaan waarin niet op objectief controleerbare wijze te bepalen valt in hoeverre het pgb is besteed aan AWBZ-zorg. Dit komt gelet op wat onder 4.2 en 4.3 is overwogen voor rekening en risico van appellant.
4.5.
Dat, zoals ter zitting is gesteld, de bewindvoerder problemen met de Belastingdienst heeft gekregen nadat het zorgkantoor in oktober 2013 op vordering van de Belastingdienst de door de bewindvoerder over de jaren 2011 en 2012 ingediende verantwoordingsformulieren aan de Belastingdienst heeft verstrekt, komt voor de beoordeling in dit geschil geen betekenis toe nu die verstrekking op geen enkele wijze de relatie tussen de verzekerde en het zorgkantoor raakt. Ter voorlichting van appellant wordt opgemerkt dat het zorgkantoor op grond van het bepaalde in artikel 53, eerste lid, dan wel artikel 55, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen verplicht was gehoor te geven aan de vordering van de Belastingdienst.
4.6.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2019.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) M. Graveland