Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:3761

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 27-11-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 27-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:3761, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18-5550 WMO15


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:3761:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 27 november 2019

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 14 september 2018, 17/1955 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2019. Namens appellant is mr. Brauer verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.W.C.A. Bruggeman.
overwegingen

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.
Appellant, geboren in 1987, lijdt aan een spieraandoening die ook zijn cognitief functioneren heeft aangetast. Het college heeft bij besluit van 2 december 2015 aan appellant voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2018 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een maatwerkvoorziening ondersteuning gericht op zelfredzaamheid en/of participatie op de resultaten ‘regie eigen leven’ en ‘deelname maatschappelijk leven’ verstrekt in de vorm van zorg in natura.
1.2.
Het college heeft bij besluit van 9 augustus 2016 aan appellant voor de duur van drie jaar op grond van de Wmo 2015 een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning verstrekt, met een omvang van 130 minuten per week, in de vorm van zorg in natura.
1.3.
Appellant heeft tegen de besluiten van 2 december 2015 en 9 augustus 2016 bezwaar gemaakt. Appellant heeft hierbij, voor zover van belang, aangevoerd dat hij geen zorg in natura, maar een persoonsgebonden budget (pgb) wil. Met dit pgb wil appellant zorg inkopen bij zijn begeleider, [naam] .
1.4.
Het college heeft bij besluit van 31 mei 2017 (bestreden besluit) de bezwaren van appellant gericht tegen de besluiten van 2 december 2015 en 9 augustus 2016 ongegrond verklaard. Het college heeft zich hierbij, onder verwijzing naar een medisch advies van de GGD van 16 juni 2016 (GGD-advies), op het standpunt gesteld dat appellant niet in staat is te achten de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant gericht tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover belang, overwogen dat het college op goede gronden de voorzieningen niet in de vorm van een pgb heeft verstrekt. Uit het GGD-advies volgt namelijk dat het zelfstandig zorgdragen voor een pgb voor appellant niet haalbaar lijkt. Verder kan [naam] appellant niet onafhankelijk ondersteunen bij de uitvoering van het pgb, omdat hij zelf de begeleiding biedt en deze combinatie van functies tot belangenverstrengeling leidt. Het college heeft daarom de conclusie kunnen trekken dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden voor het toekennen van een pgb. De rechtbank heeft daarnaast het college veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan appellant tot een bedrag van € 500,-, omdat de redelijke termijn in bezwaar is overschreden.

3.1.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb moet worden verstrekt en dat [naam] hem onafhankelijk kan ondersteunen bij de uitvoering van het pgb. Appellant betwist dat ondersteuning door [naam] bij de uitvoering van het pgb tot belangenverstrengeling leidt. Hij voert daartoe aan dat [naam] de hulp al lang verleent, dat deze hulp precies is afgebakend, dat de controle van het pgb bij de Sociale verzekeringsbank ligt en met zorg in natura niet de benodigde hulp kan worden geleverd vanwege het gebrek aan flexibiliteit daarvan.
3.2.
Het college heeft de aangevallen uitspraak in verweer onderschreven. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat degene die de ondersteuning levert niet dezelfde persoon mag zijn die het pgb beheert, omdat dit kan leiden tot belangenverstrengeling.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Partijen zijn het er over eens dat appellant zelf niet in staat is te achten de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of appellant dit met hulp van [naam] kan.
4.2.
Artikel 2.3.6, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wmo 2015 stelt, voor zover van belang, als voorwaarde voor het verstrekken van een pgb dat de cliënt naar het oordeel van het college met hulp van zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Volgens de wetgeschiedenis moet bij deze taken gedacht worden aan bijvoorbeeld het sluiten van overeenkomsten en het aansturen en aanspreken van de hulpverlener op zijn verplichtingen (Kamerstukken II 2013/2014, 33 841, nr. 3, blz. 38).
4.3.
Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat appellant met hulp van [naam] niet voldoende in staat is te achten de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Het college heeft hierbij doorslaggevend kunnen achten dat [naam] ook de beoogde zorgaanbieder van appellant is en dat dit er aan in de weg staat dat hij de beheerstaken met voldoende afstand en kritisch zal kunnen vervullen (vergelijk de uitspraak van 22 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2803). Wat appellant heeft aangevoerd doet hier niet aan af.
4.4.
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal, voor zover aangevochten, worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en W.J.A.M. van Brussel en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2019.
(getekend) L.M. Tobé

(getekend) M. Graveland