Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:3753

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 27-11-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 27-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:3753, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 16/1707 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:3753:DOC
nl

16


Datum uitspraak: 27 november 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 19 februari 2016, 15/2891 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. Boon, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2018. Namens appellante is mr. Boon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J.M.H. Lagerwaard.

Na de zitting is het onderzoek heropend. De Raad heeft M.M. Wolff-van der Ven, verzekeringsarts, benoemd als onafhankelijk deskundige voor het instellen van een onderzoek. Op 20 maart 2019 heeft de deskundige een rapport uitgebracht.

Appellante heeft een zienswijze ingediend. Desgevraagd heeft de deskundige hierop een reactie gegeven.

Het Uwv heeft aanleiding gezien de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aan te passen aan de door de deskundige genoemde aanbevelingen en conclusies. Dit heeft geleid tot een nieuwe beslissing op bezwaar van 22 mei 2019.

Appellante heeft een zienswijze ingediend.

Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante heeft zich op 30 mei 2008 ziek gemeld voor haar werk als assistent-medewerker customer services. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 27 augustus 2010 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat zij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Na een eerdere ziekmelding per 25 oktober 2010, heeft appellante zich op 7 mei 2012, vanuit de situatie dat zij een uitkering op grond van de Werkloosheidwet ontving, opnieuw ziek gemeld wegens psychische klachten. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 20 mei 2014 geweigerd aan appellante met ingang van 7 mei 2012 en per heden (lees: 5 mei 2014) een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij per die data minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.3.
Bij besluit van 21 augustus 2015 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ten aanzien van de beoordeling per 7 mei 2012 ongegrond verklaard. Het bezwaar ten aanzien van de beoordeling per 5 mei 2014 heeft het Uwv gegrond verklaard met vergoeding van kosten in bezwaar. Het Uwv heeft appellante met ingang van 5 mei 2014 een WGA-vervolguitkering naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45% toegekend. Aan bestreden besluit 1 ligt onder meer ten grondslag een psychiatrische expertise van 17 juli 2015 van psychiater/neuropsycholoog NIP drs. I. Visser van Psyon. Naar aanleiding van de psychiatrische expertise van drs. Visser heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 27 juli 2015 de eerder door een verzekeringsarts opgestelde FML per 5 mei 2014 aangescherpt.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat het geschil enkel nog ziet op de mate van arbeidsongeschiktheid per 5 mei 2014. De rechtbank heeft geoordeeld dat aan bestreden besluit 1 een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt. De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar stelling dat haar beperkingen per 5 mei 2014 zijn onderschat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv uit mogen gaan van de juistheid van de conclusies van drs. Visser.

3.1.
In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat zij voor meer dan 36,34% arbeidsongeschikt is te achten per 5 mei 2014.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
3.3.
Omdat in hoger beroep twijfel is ontstaan over de vraag of het advies van drs. Visser op juiste wijze in de FML is verwoord op de punten vervoer, samenwerken en het aantal uren dat appellante kon werken, heeft de Raad een deskundige benoemd.
3.4.
Naar aanleiding van het rapport van de deskundige heeft het Uwv op 22 mei 2019 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 2). Bij dit besluit heeft het Uwv, op basis van een, in lijn met het advies van de deskundige, aangepaste FML van 1 mei 2019 en een nieuwe theoretische schatting, met ingang van 5 mei 2014 een WGA-vervolguitkering naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 65 tot 80% toegekend.
3.5.
Appellante heeft in reactie op het rapport van de deskundige aangevoerd dat zij meerbeperkt is dan door de deskundige is beschreven. Genoemd worden de aspecten verdelen van de aandacht, herinneren, inzicht in eigen kunnen, doelmatig en zelfstandig handelen, vervoer en ook de urenbeperking wordt nog onvoldoende geacht. In een reactie op bestreden besluit 2 heeft appellante aangevoerd dat de aan de schatting ten grondslag liggende functies de belastbaarheid overschrijden op de aspecten vasthouden van de aandacht en contact met collega’s.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Omdat het Uwv een nieuwe beslissing heeft genomen op het bezwaar van appellante, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid per 5 mei 2014 gewijzigd is vastgesteld, dienen bestreden besluit 1, voor zover daarbij is beslist over de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 5 mei 2014, en de aangevallen uitspraak te worden vernietigd.
4.2.
Vastgesteld wordt dat bestreden besluit 2 niet geheel tegemoet komt aan het hoger beroep van appellante. Daarom wordt bestreden besluit 2 met overeenkomstige toepassing van artikel 6:19 van de Awb in de procedure betrokken en wordt het hoger beroep geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit.
4.3.
Bestreden besluit 2 is gebaseerd op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 mei 2019. Deze verzekeringsarts heeft, op basis van het oordeel van de deskundige over de beperkingen van appellante, aanleiding gezien tot bijstelling van de FML. In de aangepaste FML zijn beperkingen aangenomen op de door de deskundige aangegeven beoordelingspunten.
4.4.
In hoger beroep heeft appellante, net als in beroep, geen medische stukken in het geding gebracht die aanleiding geven te twijfelen aan de conclusies van drs. Visser. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich mogen baseren op de expertise van drs. Visser.
4.5.
In reactie van 15 augustus 2019 op de zienswijze van appellante op haar rapport van 20 maart 2019, heeft de deskundige meegedeeld dat de door appellante gestelde aanwezige beperkingen binnen de items verdelen van de aandacht, herinneren, inzicht in eigen kunnen, doelmatig handelen, zelfstandig handelen en handelingstempo niet door drs. Visser zijn geobjectiveerd. Daarom zijn er geen objectieve argumenten om op deze aspecten wel beperkingen in de FML aan te nemen.
4.6.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Er is geen aanleiding om de deskundige niet te volgen. De aan bestreden besluit 2 ten grondslag gelegde FML, die overeenkomstig het advies van de deskundige is aangepast, dient dan ook te worden onderschreven.
4.7.
Er zijn geen aanknopingspunten voor twijfel aan de medische geschiktheid van appellante voor de functies van afbiester (SBC-code 272043), wikkelaar (SBC-code 267050) en soldering technician en montagemedewerker (beide SBC-code 111180). Gewezen wordt op het rapport van 13 mei 2019 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en het resultaat functiebeoordeling. Daarin is door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep – op bepaalde punten na overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep – genoegzaam gemotiveerd waarom de signaleringen van mogelijke overschrijding van de belastbaarheid van appellante niet aan de geschiktheid van die functies in de weg staan.
4.8.
Gelet op 4.3 tot en met 4.7 slaagt het beroep tegen bestreden besluit 2 niet.
5. Gelet op 4.1 is er aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in beroep en op € 1.280,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en € 13,40 aan reiskosten, in totaal € 2.317,40.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2019.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) P. Boer

-

vernietigt de aangevallen uitspraak;

verklaart het beroep tegen het besluit van 21 augustus 2015 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover daarbij is beslist over de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 5 mei 2014;

verklaart het beroep tegen het besluit van 22 mei 2019 ongegrond;

veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.317,40;

bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 169,- aan haar vergoedt.