Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:3447

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 04-11-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 13-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:3447, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 19/1085 WMO15


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:3447:DOC
nl

19


Datum uitspraak: 13 november 2019

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 maart 2019, 19/62 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[appellante 1] (appellante 1) en [appellante 2] (appellante 2) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. H.M. de Roo, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2019. Appellante 1 is verschenen, bijgestaan door mr. De Roo en mr. E.C. Weijsenfeld. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Tang.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.
Appellante 1, geboren in 1982, en appellante 2, geboren in 2005, hebben de Nederlandse nationaliteit. Zij hebben tussen 2013 en mei 2018 in het Verenigd Koninkrijk gewoond. Na aankomst in Nederland hebben zij onderdak genoten op verschillende logeeradressen. Vervolgens hebben appellanten zich op 9 juli 2018 bij de gemeente Rotterdam gemeld voor opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
1.2.
Het college heeft bij besluit van 26 juli 2018, gehandhaafd bij besluit van 28 december 2018 (bestreden besluit), het verzoek om een maatwerkvoorziening bestaande uit opvang afgewezen, omdat appellante 1 wordt geacht zich op eigen kracht of met hulp van een ander te kunnen handhaven in de samenleving. Subsidiair heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de noodzaak voor opvang haar te verwijten valt. Van appellante 1 mocht worden verwacht dat zij langer in het Verenigd Koninkrijk zou verblijven en voldoende zou sparen of van tevoren zelf huisvesting en inkomen zou regelen.
1.3.
Hangende het bezwaar tegen het besluit van 26 juli 2018 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam bij uitspraak van 13 september 2018 (zaaknummer 18/4689) de voorlopige voorziening getroffen dat appellanten tot aan de beslissing op het bezwaar toegang wordt verleend tot opvang. Deze opvang is vervolgens ook tijdens het beroep en hoger beroep voortgezet.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellanten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, voor zover van belang, overwogen dat het college ervan mocht uitgaan dat appellante 1 in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Het enkele feit dat het appellante 1 tot nu toe niet is gelukt woonruimte te vinden, is onvoldoende om anders te oordelen. De rechtbank heeft voorts overwogen dat in het geval van appellanten uit artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geen verplichting voortvloeit om appellanten toe te laten tot de opvang. Het college heeft zich verder voldoende rekenschap gegeven van de belangen van appellante 2, zodat het beroep op artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) niet slaagt.

3.1.
Appellanten hebben zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben zich daarbij op het standpunt gesteld dat zij de thuissituatie hebben verlaten en appellante 1 niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. De rechtbank heeft verder ten onrechte getoetst aan de situatie in Engeland en het college heeft ten onrechte de verwijtbaarheid als uitsluitingsgrond gehanteerd. Appellanten hebben betoogd dat de weigering om een maatwerkvoorziening bestaande uit opvang te verstrekken een inbreuk maakt op het recht op privé- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Ten slotte heeft het college ten onrechte de belangen van appellante 2 niet zwaarder laten wegen en hiermee in strijd met artikel 3 van het IVRK gehandeld.
3.2.
Het college heeft in verweer de aangevallen uitspraak onderschreven.4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 definieert opvang als onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
4.2.
Artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015 bepaalt dat een ingezetene van Nederland overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit opvang, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, indien hij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving.
4.3.
Artikel 2.3.5, vierde lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische en psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellanten hun thuissituatie hebben verlaten. In geschil is de vraag of appellante 1 in staat is zich te handhaven in de samenleving. Gelet op de hulpvraag van appellante 1 houdt dat in dit geval concreet in dat beoordeeld moet worden of zij door problemen bij het zich handhaven in de samenleving niet in staat is zelf in onderdak voor haar en haar dochter te kunnen voorzien.
4.5.
Het standpunt dat appellante 1 niet in staat is zich te handhaven in de samenleving slaagt niet. Appellante 1 moet in staat worden geacht zelf in onderdak voor haar en haar dochter te kunnen voorzien. Appellante 1 heeft immers de Nederlandse nationaliteit, heeft tot aan de onder 1.3 vermelde opvang zelf onderdak geregeld en heeft een uitkering op grond van de Participatiewet waarmee zij geacht wordt te kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Uit wat appellanten hebben aangevoerd en aan (medische) stukken hebben overgelegd volgt ook niet dat appellante 1 door problemen bij het zich handhaven in de samenleving niet in staat is zelf in onderdak voor haar en haar gezin te kunnen voorzien. Dat appellante 1 een hbo-opleiding heeft genoten en vrijwilligerswerk verricht, wijst evenmin op dergelijke problemen. Appellante 1 heeft, zo is ter zitting bij de Raad ook bevestigd, gereageerd op aangeboden woonruimte. De omstandigheid dat zij desondanks tot op heden nog geen woonruimte heeft gevonden duidt vooral op schaarste op de woningmarkt in de regio waarin appellanten willen wonen. De Wmo 2015 is niet bedoeld om hiervoor een oplossing te bieden.
4.6.
Uit 4.4 en 4.5 volgt dat het oordeel van de rechtbank over het primaire standpunt van het college stand houdt. Dit betekent dat de beroepsgrond gericht tegen het subsidiaire standpunt van het college dat ziet op de verwijtbaarheid geen bespreking meer behoeft.
4.7.
Vervolgens rijst de vraag of het college door de weigering om een maatwerkvoorziening bestaande uit opvang te verstrekken artikel 8 van het EVRM en artikel 3 van het IVRK heeft geschonden.
4.7.1.
De Raad stelt voorop dat uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 18 januari 2001 (Chapman tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 27238/95, ECLI:CE:ECHR:2001:0118JUD002723895) volgt dat artikel 8 van het EVRM geen recht op woonruimte garandeert. De enkele omstandigheid dat appellanten in de periode in geding geen woonruimte hebben gevonden, maakt dus niet dat het college op grond van deze bepaling gehouden is appellanten opvang te verstrekken.
4.7.2.
Artikel 8 van het EVRM heeft als doel het individu te beschermen tegen willekeurige inbreuken door de overheid op het recht op eerbiediging van het privéleven en familie- en gezinsleven. Aan het effectief respecteren daarvan kunnen positieve verplichtingen voor de overheid zijn verbonden. In dat verband moet, in zaken als deze, worden beoordeeld of in het besluit om geen opvang op grond van de Wmo 2015 te verstrekken een juist evenwicht is bereikt tussen de belangen van het individu om toegelaten te worden tot die opvang en de publieke belangen die betrokken zijn bij het niet verstrekken van die opvang. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Verder is hierbij van belang dat bij de besteding van publieke middelen aan de verdragsstaat een ruime “margin of appreciation” (beoordelingsruimte) toekomt.
4.7.3.
In het geval van appellanten doen zich geen feiten of omstandigheden voor waaruit een positieve verplichting tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening bestaande uit opvang voortvloeit. Uit wat onder 4.5 is overwogen volgt dat appellante 1 niet door problemen bij het zich handhaven in de samenleving niet in staat is zelf voor haar en haar dochter in onderdak te voorzien. Appellante 1 heeft ter zitting verklaard dat zij heeft gereageerd op woonruimte, maar uitsluitend in Rotterdam, regio [gemeente 1] , [gemeente 2] , [gemeente 3] , [gemeente 4] en andere omliggende dorpen. Nog afgezien van het feit dat deze verklaring, met uitzondering van Rotterdam, niet is onderbouwd, volgt hieruit niet dat zij voor haar en haar dochter geen woonruimte zou kunnen vinden, bijvoorbeeld in gemeenten waar de woondruk aanzienlijk minder hoog is. Daarmee moet zij in staat worden geacht zelf aan haar gezinsleven vorm te geven, waardoor ook de belangen van haar dochter zijn gewaarborgd. Daarnaast moet meegewogen worden dat in de opvang slechts een beperkt aantal plaatsen beschikbaar is. Dit betekent dat het verstrekken van opvang aan appellanten tot gevolg heeft dat andere personen, die niet in staat zijn zichzelf in de samenleving te handhaven, geen gebruik kunnen maken van deze opvang. Onder deze omstandigheden kan daarom niet in redelijkheid worden gezegd dat het niet verstrekken van een maatwerkvoorziening bestaande uit opvang geen blijk geeft van een ‘fair balance’ tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de opvang op grond van de Wmo 2015 en de particuliere belangen van appellante 1 en haar dochter om wel toegang te krijgen tot deze opvang.
4.7.4.
Artikel 3 van het IVRK heeft rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van die kinderen moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en of het bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze rechterlijke toets heeft een terughoudend karakter. Gelet op wat onder 4.7.3 is overwogen, is er geen grond voor het oordeel dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van appellante 2.
4.8.
Tijdens de zitting heeft de vertegenwoordiger van het college desgevraagd toegezegd dat appellanten, na verzending van deze uitspraak, nog minimaal twee weken opvang zal worden geboden.
4.9.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Tobé als voorzitter en mr. D.S. de Vries en mr. N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van G.D. Alting Siberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2019.
(getekend) L.M. Tobé

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

sg