Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:3209

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-10-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 10-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:3209, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/7447 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:3209:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 10 oktober 2019

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 9 oktober 2017, 16/2995 en 21 juni 2018, en 17/4729 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellante] B.V. te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.P.M. van Zijl, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend .

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2019. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Zijl en arts-gemachtigde drs. J.M.W.N. Derks. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. van Beek.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
[naam werknemer] (werknemer) is bij appellante werkzaam geweest als APK-keurmeester voor 40 uur per week. Appellante is eigenrisicodrager in de zin van artikel 82 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Op 13 september 2013 heeft werknemer zich ziek gemeld voor dit werk in verband met nek- en armklachten. Later zijn daar psychische klachten bijgekomen.
1.2.
Bij besluit van 30 oktober 2015 heeft het Uwv werknemer een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend per 2 oktober 2015, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. Dit besluit is gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts. Zowel werknemer als appellante hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 7 april 2016 (bestreden besluit 1) zijn de bezwaren van appellante en werknemer ongegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Hiertegen heeft appellante beroep ingesteld.
1.4.
Op 31 oktober 2016 heeft werknemer gemeld dat hij toegenomen psychische klachten heeft.
1.5.
Bij besluit van 27 februari 2017 heeft het Uwv vastgesteld dat werknemer ongewijzigd 80 tot 100% arbeidsongeschikt is. Dit besluit is gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige. Hiertegen heeft appellante bezwaar gemaakt.
1.6.
Bij beslissing op bezwaar van 27 juli 2017 (bestreden besluit 2) is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Hiertegen heeft appellante beroep ingesteld.
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak van 9 oktober 2017 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er bij werknemer op de datum in geding weliswaar sprake was van volledige, maar niet tevens van duurzame arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Het Uwv heeft zorgvuldig en inzichtelijk onderzoek verricht naar de medische situatie van de werknemer en de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid en heeft naast de al in het medisch dossier aanwezige informatie aanvullende informatie opgevraagd bij de behandelaars. In de rapporten van de verzekeringsartsen is volgens de rechtbank voldoende inzichtelijk gemaakt hoe zij tot hun beoordeling over het ontbreken van duurzaamheid zijn gekomen. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is duidelijk en stapsgewijs gemotiveerd welke behandeling nog mogelijk is voor de psychische problematiek van werknemer en welke verbetering daarvan te verwachten is. Volgens de verzekeringsarts zou deze behandeling moeten bestaan uit allereerst stabilisering en vervolgens traumaverwerking en behandeling gericht op stemmingsverbetering. Uit de medische stukken blijkt dat er geen toereikende lichamelijke verklaring is te vinden voor de door werknemer geclaimde beperkingen en dat het psychiatrisch beeld de situatie in stand houdt. De rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd in zijn standpunt dat binnen een jaar, maar in elk geval nadien een verbetering van de psychische belastbaarheid en daarmee ook van de fysieke belastbaarheid, zal kunnen optreden. Omdat pas in beroep een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is opgesteld, een arbeidskundig onderzoek heeft plaatsgevonden en het ontbreken van duurzaamheid toereikend is gemotiveerd, heeft de rechtbank aanleiding gezien het bestreden besluit te vernietigen met instandlating van de rechtsgevolgen.
2.2.
Bij de aangevallen uitspraak van 21 juni 2018 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat in geschil is of de volledige arbeidsongeschiktheid van werknemer op de datum in geding, 27 februari 2017, duurzaam moet worden geacht. De rechtbank heeft geoordeeld dat bij werknemer op de datum in geding geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA en dat zijn loongerelateerde WGA-uitkering op goede grond ongewijzigd is voortgezet. Het medische onderzoek is zorgvuldig verricht. Dat de verzekeringsartsen op basis van de beschikbare informatie van de behandelend sector en hun eigen onderzoeksbevindingen zich voldoende voorgelicht vonden en daarom geen noodzaak hebben gezien voor het laten uitvoeren van een psychiatrische expertise is niet onbegrijpelijk. Met de rapporten van de verzekeringsartsen en de verzekeringsarts bezwaar en beroep is gemotiveerd onderbouwd dat op de datum in geding niet is uit te sluiten dat bij betrokkene een meer dan geringe kans op herstel van zijn medische situatie en functionele mogelijkheden bestaat indien hij zou starten met de door de GGZ aanbevolen behandeling voor zijn psychische problematiek. De verzekeringsartsen hebben voldoende gemotiveerd dat een onderliggend psychisch beeld, dat door de behandelaars als somatoform is aangemerkt, mede verantwoordelijk is voor de lichamelijke pijnklachten. Op basis daarvan is door de behandelaars een behandeltraject voor somatoforme pijnklachten geadviseerd, dat door werknemer steeds is afgehouden. Door de verzekeringsartsen is toereikend gemotiveerd welke adequate behandeling nog mogelijk is en dat deze behandeling kan leiden tot een relevante verbetering van de psychische belastbaarheid en secundair daaraan ook van de lichamelijke belastbaarheid van de werknemer. Hierdoor kan nog niet worden vastgesteld welk deel van de lichamelijke beperkingen op de datum in geding al duurzaam is te achten en of die beperkingen reeds leiden tot een volledige arbeidsongeschiktheid.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep in beide zaken aangevoerd dat de degeneratieve afwijkingen aan de nek en de daaruit voortvloeiende lichamelijke klachten in overwegende mate bepalend zijn voor de beperkingen van werknemer en dat om die reden een (fictieve) FML opgesteld had moeten worden op basis van uitsluitend de duurzame lichamelijke beperkingen teneinde te beoordelen of op grond daarvan al sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. In dat verband heeft appellante ter zitting aangevoerd dat de lichamelijke beperkingen in de FML zijn onderschat. Verder heeft appellante aangevoerd dat, gelet op de rapporten van medisch adviseur Derks van 5 december 2017 en 22 augustus 2018, er weliswaar een psychische behandeling bestaat voor de klachten van werknemer, maar dat dit slechts een theoretische mogelijkheid is omdat werknemer hiervoor ten gevolge van zijn ziekte niet openstaat. Tot slot heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank bestreden besluit 2 ten onrechte in stand heeft gelaten omdat de rechtbank de motivering van het Uwv mede heeft beoordeeld op basis van een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 december 2017, dat van na het bestreden besluit dateert. De rechtbank had volgens appellante het bestreden besluit moeten vernietigen met toekenning van een proceskostenvergoeding.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, voor zover hier van belang, volgens artikel 4 van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
4.2.
In geschil is of de volledige arbeidsongeschiktheid van werknemer op 2 oktober 2015 en 27 februari 2017 moet worden geacht duurzaam te zijn, zodat – ingevolge artikel 47 van de Wet WIA – recht bestaat op een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering.
4.3.
Op grond van vaste rechtspraak (onder andere de uitspraak van de Raad van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896) dient de verzekeringsarts zich een oordeel te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkeringen in de periode daarna, dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
4.4.
Het in beide zaken gegeven oordeel van de rechtbank dat de medische onderzoeken van het Uwv voldoende zorgvuldig zijn geweest wordt gevolgd, evenals de op dat onderdeel betrekking hebbende overwegingen van de rechtbank zoals weergegeven onder 2.1 en 2.2. In hoger beroep zijn heeft appellante geen nieuwe of andere argumenten aangevoerd die aanleiding geven tot een ander oordeel.
4.5.
Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat, nu een deel van de lichamelijke klachten van de werknemer veroorzaakt wordt door degeneratieve afwijkingen die duurzaam zijn, voor die beperkingen een afzonderlijke FML had moeten worden opgesteld om te bezien of de werknemer op grond van die (duurzame) beperkingen al volledig arbeidsongeschiktheid is te achten. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen hebben de verzekeringsartsen in hun rapporten voldoende onderbouwd dat bij werknemer sprake is van een samenhang tussen de lichamelijke en psychische klachten en dat ook de behandelaars daarvan uitgaan. Gezien de complexiteit en verwevenheid valt niet vast te stellen welk deel van de beperkingen duurzaam is, temeer nu door het niet in gang zetten van de geadviseerde behandelingen nog geen volwaardige diagnostiek heeft kunnen plaatsvinden. Anders dan in de door appellante genoemde uitspraak van de Raad van 25 juli 2014 (ECLI:CRVB:2014:2579) is bij werknemer geen sprake van op zichzelf staande lichamelijke beperkingen die als duurzaam kunnen worden aangemerkt.
4.6.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat bij een passende behandeling van de somatoforme pijnstoornis binnen één jaar, en in elk geval in de periode nadien, ten tijde in geding verbetering van de belastbaarheid te verwachten was. Die motivering komt er, samengevat, op neer dat voor de fysieke klachten een onderliggend psychisch beeld is vastgesteld, waarvoor nog geen reële psychische behandeling heeft plaatsgevonden omdat de werknemer daarvoor niet openstaat. Anders dan in de door appellante genoemde uitspraak van 22 april 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1564) blijkt uit de voorhanden zijnde medische gegevens niet dat de afhoudende opstelling van werknemer voor de door zijn behandelaars voorgestelde behandeling samenhangt met, of veroorzaakt wordt door, het ziektebeeld. De psychiater ziet in de voorgestelde psychische behandeling meerwaarde, maar stelt vast dat werknemer, gezien het spoor waar hij op zit – pijnbestrijding – daarvoor niet gemotiveerd is. Een gebrek aan motivatie wordt ook genoemd in de brieven van de revalidatieartsen die werknemer in oktober 2014 en in mei 2015 hebben gezien.
4.7.
Uit het voorgaande volgt dat de hoger beroepen niet slagen. De uitspraak van 9 oktober 2017 zal, voor zover aangevochten, worden bevestigd. De uitspraak van 21 juni 2018 zal eveneens worden bevestigd. De stelling dat de rechtbank in de uitspraak van 21 juni 2018 bestreden besluit 2 had moeten vernietigen omdat de overwegingen mede zijn gebaseerd op een pas in beroep ingediend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 december 2017 wordt niet onderschreven. Wat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 4 december 2017 heeft geconcludeerd is in wezen gelijkluidend aan de conclusies in zijn eerdere rapporten, zodat geen sprake is van een gewijzigde motivering.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

- bevestigt de uitspraak van 9 oktober 2017 voor zover aangevochten;- bevestigt de uitspraak van 21 juni 2018.
De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en T. Dompeling als leden, in tegenwoordigheid van E.D. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2019.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) E.D. de Jong

TM