Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:3205

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-10-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 09-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:3205, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/832 WMO15


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:3205:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 9 oktober 2019

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 januari 2018, 17/6047 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Delft (college)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2019. Appellante en het college zijn niet verschenen.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.
Appellante ondervindt beperkingen bij het zich verplaatsen over korte en middellange afstanden. In verband hiermee beschikt appellante sinds 2013 over een door het college op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning aan haar toegekende elektrische fiets.
1.2.
De elektrische fiets van appellante is op 12 april 2017 technisch afgekeurd door aanbieder Medipoint. Appellante heeft zich vervolgens tot het college gewend.
1.3.
Bij besluit van 18 mei 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 augustus 2017 (bestreden besluit), heeft het college bepaald dat appellante niet meer in aanmerking komt voor een elektrische fiets. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat een elektrische fiets op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een algemeen gebruikelijke voorziening is die tot het normale uitgavenpatroon hoort. Het inkomen op bijstandsniveau van appellante is voldoende voor het aanschaffen van zo’n fiets.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Voor zover van belang, heeft de rechtbank overwogen dat een elektrische fiets volgens vaste rechtspraak van de Raad kan worden aangemerkt als algemeen gebruikelijk. Het college heeft onderzoek verricht naar de financiële situatie van appellante. Op grond hiervan heeft het college kunnen bepalen dat een elektrische fiets tot haar bestedingspatroon behoort. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat een elektrische fiets voor appellante algemeen gebruikelijk is.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat het college het besluit van 26 augustus 2013 waarbij aan haar een elektrische fiets is verstrekt, niet mocht beëindigen. Verder heeft zij aangevoerd dat haar medische situatie niet is veranderd. Haar medische situatie is eerder verslechterd. Appellante is voor haar vervoer aangewezen op het gebruik van een elektrische fiets. Zij vindt het onbegrijpelijk dat het college geen elektrische fiets aan haar verstrekt.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Uit de gedingstukken blijkt dat appellante, na de technische afkeuring van de elektrische fiets door Medipoint, het college heeft verzocht om een nieuwe elektrische fiets, waarbij haar voorkeur uitgaat naar een wat kleiner model.
4.2.
Onder deze omstandigheden heeft het college het verzoek van appellante om een nieuwe elektrische fiets terecht opgevat als een melding als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 met een daarop gevolgde aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.5, eerste lid, van de Wmo 2015.
4.3.
Zoals de rechtbank heeft overwogen, is niet in geschil dat appellante vanwege haar medische beperkingen is aangewezen op een elektrische fiets. Aan de afwijzing van de aanvraag ligt ten grondslag dat een elektrische fiets algemeen gebruikelijk is voor appellante en dat zij daarom niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. De rechtbank heeft dit standpunt van het college onderschreven. Nu appellante tegen dit oordeel van de rechtbank geen gronden heeft aangevoerd, slaagt het hoger beroep niet.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en R.M. van Male en A.T. Marseille als leden, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2019.

(getekend) L.M. Tobé

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

JL