Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:3197

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-10-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 09-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:3197, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 16/4587 WWAJ


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:3197:DOC
nl

16

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 10 juni 2016, 15/6437 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 9 oktober 2019

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 24 januari 2019 een tussenuitspraak, ECLI:NL:CRVB:2019:233, gedaan (tussenuitspraak).

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv bij brief van 18 april 2019 zijn standpunt nader uiteengezet onder overlegging van rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep

Bij brief van 28 mei 2019 heeft mr. A. Schreurs, advocaat, namens betrokkene een zienswijze ingezonden. Op deze zienswijze heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep met een rapport gereageerd.

Vervolgens is met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, afgezien van nader onderzoek ter zitting, waarna het onderzoek is gesloten.


overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. Hij volstaat met vermelding van het volgende.
1.2.
Ten gronde ligt de vraag voor of de bij betrokkene op 21 februari 2015 bestaande volledige arbeidsongeschiktheid duurzaam is in de zin van artikel 2:4 van de Wajong 2010. Voor die vraag moet op grond van het tweede lid van artikel 2:4 van de Wajong 2010 worden voldaan aan de voorwaarde dat sprake is van een situatie van het blijvend ontbreken van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie, waaronder moet worden verstaan dat de verzekerde niet tot het verrichten van betaalde arbeid in staat is, nu niet en in de toekomst niet, ook niet na of met behulp van ondersteuning of in de vorm van beschut werk.
1.3.
In de tussenuitspraak is geoordeeld dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Onvoldoende is onderbouwd dat op de datum in geding, 21 februari 2015, niet kon worden gesproken van het blijvend ontbreken van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voor de inschatting van de toekomstige participatiemogelijkheden van betrokkene in hoofdzaak gewezen op het verzekeringsgeneeskundig protocol ‘Schizofrenie en verwante psychosen’ en volstaan met overwegingen die niet zijn toegespitst op de individuele situatie van betrokkene. Veeleer valt uit zijn rapport(en) op te maken dat de vraag of, en zo ja, welke participatiemogelijkheden er in de toekomst zullen zijn, door hem niet kan worden beantwoord. Dit klemt te meer, nu bij betrokkene naast de psychische klachten ook sprake is van (beperkingen ten gevolge van) zwakbegaafdheid en de behandelend sociaal-psychiatrisch verpleegkundige, na overleg met de psychiater van het FACT team van Idris, in zijn brief van 27 november 2015 erop heeft gewezen dat bij betrokkene alle in de vakliteratuur beschreven factoren voor een minder gunstig beloop van schizofrenie aanwezig zijn. Het had op de weg van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gelegen om naar aanleiding van deze informatie in overleg te treden met de behandelend sector over het verloop en de herstelkansen van de ingezette behandeling. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft bij de beoordeling van de duurzaamheid volstaan met een verwijzing naar de verwachting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de belastbaarheid op termijn zal verbeteren, waardoor ook het arbeidsvermogen zal toenemen.
1.4.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv rapporten van 25 maart 2019 en 18 april 2019 ingediend. Daarnaast is in een rapport van 29 juni 2019 gereageerd op de zienswijze van betrokkene van 28 mei 2019. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 25 maart 2019 uiteengezet dat hij de behandelend psychiater P. Notten heeft gevraagd wat diens oordeel was over het verloop en de herstelkansen van de functionele mogelijkheden naar aanleiding van de ingezette en eventueel nog in te zetten behandeling(en) op de datum in geding. Notten heeft bij brief van 14 maart 2019 geantwoord dat hij geen antwoord kan geven op de vraag hoe betrokkene in 2015 functioneerde, omdat hij betrokkene destijds niet onder behandeling had. Notten heeft verder meegedeeld dat hij pas sinds een half jaar betrokken is bij de behandeling van betrokkene en heeft vervolgens een beschrijving gegeven van de behandeling van het laatste half jaar. Mede gelet op de reactie van Notten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn eerder ingenomen standpunt over de prognose van de mogelijkheden van betrokkene dat het, geredeneerd vanaf begin 2015, nog te vroeg is om van een ongunstige prognose uit te gaan, gehandhaafd. Hij houdt het ervoor dat bij behandelaars niet alleen nu maar ook al in 2015 het doel was of kon zijn om betrokkene op termijn te laten doorgroeien naar (betaalde) WSW-arbeid, omdat de prognostisch minder gunstige factoren in 2015 niet anders zijn dan nu. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 18 april 2019 haar arbeidskundige beoordeling heroverwogen. Zij heeft geconcludeerd dat, nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding ziet om een ander standpunt in te nemen, er voor haar geen aanleiding is om anders te concluderen dan zij eerst heeft gedaan.
1.5.
Betrokkene heeft uiteengezet dat uit niets blijkt dat hij in staat is arbeidsvermogen te ontwikkelen. Hij is van mening dat met het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 25 maart 2019 er nog steeds geen sprake is van een op het individu toegespitste prognose ter onderbouwing van de conclusie dat geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. Feiten en omstandigheden die herstel aantonen dan wel voorspellen zijn niet aangevoerd. In reactie hierop heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 29 juni 2019 te kennen gegeven dat het standpunt van betrokkene zijn verzekeringsgeneeskundig oordeel niet wijzigt.
2. De Raad oordeelt als volgt.

2.1.
Ter beoordeling ligt de vraag voor of het Uwv het bestreden besluit met de rapporten van 25 maart 2019 en 29 juni 2019 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 18 april 2019 alsnog deugdelijk heeft gemotiveerd. Het antwoord daarop luidt ontkennend. Wat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapporten heeft uiteengezet, is in hoofdzaak een herhaling van zijn eerder ingenomen standpunt. Aanvullend heeft hij uiteengezet dat hij de informatie van Notten aldus heeft uitgelegd, dat arbeid in WSW-verband mogelijk moet zijn, als huidig en toekomstig werk maar voldoende prikkelarm is. Deze uitleg is niet te volgen, omdat Notten heeft opgemerkt dat het de vraag is hoe betrokkene zal reageren bij een toename van prikkels en dat het te vroeg is om een uitspraak te doen over de mogelijkheid tot een doorgroei naar WSW-arbeid of een daarmee gelijk te stellen beschermde arbeidssituatie. Hiermee biedt de informatie van Notten, in samenhang met de eerder beschikbaar gestelde informatie van Idris, geen steun voor het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Omdat de heroverweging van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep steunt op de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep moet geconcludeerd worden dat het bestreden besluit nog steeds onvoldoende is gemotiveerd. Het Uwv heeft dus niet voldaan aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht. In deze situatie is de conclusie gerechtvaardigd dat het Uwv kennelijk niet in staat is het bestreden besluit van een toereikende motivering te voorzien.
2.2.
Overweging 2.1 leidt tot de slotsom dat de rechtbank terecht, zij het op andere gronden, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond heeft verklaard en het bestreden besluit als berustend op een ondeugdelijke motivering wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb heeft vernietigd. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat betrokkene vanaf 21 februari 2015 recht heeft op een Wajong-uitkering. Het besluit van 16 december 2014 wordt herroepen.
3. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.280,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het verweerschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting, 0,5 punt voor het geven van een schriftelijke zienswijze).
beslissing

BESLISSING

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het Uwv is opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van die uitspraak;- herroept het besluit van 16 december 2014 en bepaalt dat betrokkene met ingang van 21 februari 2015 recht heeft op een Wajong-uitkering en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 14 oktober 2015;- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige; - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 1.280,-.
De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en R.E. Bakker en D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2019.
(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) J. Smolders

TM