Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:3196

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-10-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 09-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:3196, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/7091 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:3196:DOC
nl

17/7091 WIA, 17/7092 ZW, 18/5857 ZW

Datum uitspraak: 9 oktober 2019

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 13 september 2017, 16/4476 en 16/5138 (aangevallen uitspraak I) en 3 oktober 2018, 18/975 (aangevallen uitspraak II)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.E. van der Bent, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak I.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak II.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 7 augustus 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Bent. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

17

1.1.
Appellant is werkzaam geweest als schoenreparateur. Op 28 oktober 2013 is hij uitgevallen wegens fysieke en psychische klachten. Voor afloop van de wachttijd heeft een beoordeling plaatsgevonden op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). In dat kader is appellant op 3 september 2015 op het spreekuur onderzocht door een verzekeringsarts. In een rapport van 15 september 2015 is deze verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat appellant als gevolg van zijn fysieke en psychische klachten beperkingen heeft. Deze beperkingen heeft hij weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 september 2015. Een arbeidsdeskundige is in een rapport van 22 september 2015 tot de conclusie gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen werk maar nog wel voor een vijftal andere functies. Op basis van de drie functies met de hoogste lonen heeft zij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op 27,35%. Bij besluit van 24 september 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 26 oktober 2015 geen recht heeft op een WIA-uitkering.
1.2.
In bezwaar heeft appellant gesteld dat hij als gevolg van fysieke en lichamelijke klachten meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen en om die reden acht hij de voor hem geselecteerde functies niet geschikt. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant medische informatie overgelegd.
1.3.
In een rapport van 11 augustus 2016 heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen gegeven zich te kunnen verenigen met de beperkingen zoals die zijn weergegeven in de FML van 15 september 2015. Na een rapport van een arbeidskundige bezwaar en beroep van 17 augustus 2016 heeft het Uwv bij besluit van 30 augustus 2016 (bestreden besluit 1) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
2.1.
In beroep heeft appellant herhaald dat hij meer beperkingen heeft. Hij heeft onder meer aangevoerd dat hij voor een urenbeperking in aanmerking dient te komen. Het Uwv is te veel afgegaan op de psychiatrische expertise van Ergatis van 6 juli 2015 en heeft te weinig waarde toegekend aan de door hem ingebrachte stukken, zoals een brief van een psychiater van Altrecht van 17 juni 2015, een rapport van Indigo van 13 januari 2016 en de bevindingen van psychiater M. Douma van 21 maart 2016. Voorts heeft hij gesteld dat het Uwv ten onrechte niet is ingegaan op de grond dat in de geselecteerde functies sprake moet zijn van een goed geventileerde werkruimte. Hij heeft verzocht om een deskundige in te schakelen.
2.2.
Het Uwv heeft in beroep rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingebracht waarin is ingegaan op de gronden van appellant. Daarop heeft appellant gereageerd bij brief van 17 mei 2017.
3. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak I, voor wat betreft het beroep tegen bestreden besluit 1, geoordeeld dat het Uwv een zorgvuldig medisch onderzoek heeft ingesteld. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen aanleiding is om voor appellant meer beperkingen aan te nemen. Voor wat betreft de psychische klachten heeft de rechtbank de conclusie van het Uwv kunnen volgen dat er bij appellant geen sprake is van een depressie met psychotische kenmerken maar van een aanpassingsstoornis en een stoornis in het gedrag, zoals ook is geconstateerd in het psychiatrisch onderzoek door Ergatis. De rechtbank heeft geen aanleiding gevonden voor het inschakelen van een deskundige. De verzekeringsarts bezwaar en beroep duidt het gedrag van appellant als wisselend en corrigeerbaar. De eerder door de GGZ veronderstelde psychotische kenmerken hebben een andere duiding gekregen, namelijk: ‘functioneel, bij verder sterk instrumenteel gedrag’ en de diverse behandelaren van appellant en de verzekeringsartsen hebben allemaal het vermoeden dat het gedrag van appellant functioneel is. Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de rechtbank geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat appellant de werkzaamheden behorende bij de aan hem voorgehouden functies niet zou kunnen verrichten. Ten slotte is geoordeeld dat terecht is afgezien van het toekennen van een kostenvergoeding in bezwaar. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak I het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

4.1.
In hoger beroep heeft appellant zijn gronden herhaald. Hij heeft opnieuw verzocht om een deskundige in te schakelen.
4.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak I bepleit, voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond is verklaard.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.
Het oordeel van de rechtbank dat door het Uwv een zorgvuldig onderzoek naar de medische situatie van appellant is ingesteld wordt onderschreven. Daartoe wordt overwogen dat de verzekeringsarts appellant op zijn spreekuur heeft onderzocht en dat deze arts bij zijn beoordeling de beschikking heeft gehad over informatie uit de behandelend sector. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij zijn beoordeling, naast de reeds beschikbare medische informatie, de beschikking gehad over de in bezwaar verkregen medische informatie. In beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische beoordeling van appellant aanvullend afdoende toegelicht.
5.2.
Het oordeel van de rechtbank dat de beperkingen juist zijn vastgesteld wordt eveneens onderschreven. Als gevolg van de fysieke klachten – te weten rug-, knie- en armklachten, hoofdpijn en allergie – zijn beperkingen aangenomen voor zwaar tillen en dragen, duwen, trekken, traplopen en klimmen, geknield werken en langere tijd achtereen staan. Daarnaast is vastgesteld dat appellant als gevolg van zijn allergische klachten dient te werken in een goed geventileerde ruimte. Voorts hebben de verzekeringsartsen bezwaar en beroep in hun rapporten van 11 augustus 2016 en 21 november 2016 gemotiveerd uiteengezet dat voor een urenbeperking als gevolg van de slaapapneu geen aanleiding is. Vorenstaande bevindingen kunnen, gezien de beschikbare informatie, niet voor onjuist worden gehouden. Wat betreft de psychische klachten van appellant heeft het Uwv vastgesteld dat bij appellant sprake is van een aanpassingsstoornis en stoornis in het gedrag. Van een psychotische stoornis is volgens het Uwv geen sprake waarbij verwezen is naar de verschillende rapporten van de verzekeringsartsen bezwaar en beroep. Met name in het rapport van 28 maart 2017 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is, onder verwijzing naar de bevindingen van psychiater dr. N. Kaymaz van 10 juni 2015, gemotiveerd uiteengezet dat van een psychotische stoornis geen sprake is, maar dat de gedragingen van appellant moeten worden gezien als functioneel, dat wil zeggen dat de lichamelijke klachten niet kunnen worden verklaard door een medisch lichamelijk ziektebeeld. Ook de sociaal psychiatrisch verpleegkundige van Indigo en psychiater Douma hebben in mei 2016 het vermoeden geuit dat de klachten van appellant functioneel zijn. Nu appellant in hoger beroep geen nadere medische gegevens heeft ingediend en ook niet is gebleken dat appellant na maart 2016 nog is behandeld voor zijn psychische klachten, kunnen ook de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep wat betreft de psychische klachten niet voor onjuist worden gehouden. Gelet op deze bevindingen wordt geoordeeld dat er geen aanleiding is om appellant te volgen dat met de in rubrieken I en II vastgestelde beperkingen de uit de psychische klachten voortvloeiende beperkingen zijn onderschat. Op grond van het vorenstaande wordt geoordeeld dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust en dat voor een onderzoek door een deskundige geen aanleiding wordt gezien.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank dat appellant, uitgaande van de belastbaarheid zoals die is vastgesteld in de FML van 15 september 2015, in medisch opzicht geschikt moet worden geacht voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies wordt eveneens onderschreven. Daarvoor wordt verwezen naar het Resultaat functiebeoordeling van 24 september 2015 en de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 17 augustus 2016 en 30 november 2016.
5.4.
Uit de overwegingen 5.1 tot en met 5.3 volgt dat de aangevallen uitspraak I, voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond is verklaard, moet worden bevestigd.
17

6. Op 3 februari 2016 heeft appellant, terwijl hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontving, zich ziek gemeld. Bij besluit van 13 juli 2016 is appellant met ingang van 3 februari 2016 arbeidsgeschikt geacht voor ten minste een van de bij de WIA-beoordeling passend geachte functies en heeft het Uwv geweigerd hem met ingang van deze datum een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen. Het door appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 21 oktober 2016 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van 19 oktober 2016 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
7.1.
Bij de aangevallen uitspraak I heeft de rechtbank ook het door appellant tegen het bestreden besluit 2 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
7.2.
In hoger beroep heeft appellant voor de gronden verwezen naar de gronden die hij heeft ingediend in het geding 17/7091 WIA.

7.3.
Het Uwv heeft ook in zoverre bevestiging van de aangevallen uitspraak I bepleit.
8. De Raad oordeelt als volgt.

8.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid van het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.
8.2.
De Raad staat voor de beantwoording van de vraag of appellant met ingang van 3 februari 2016 terecht geschikt is geacht voor één van de functies zoals die ten grondslag hebben gelegen aan de WIA-beoordeling. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord. Daartoe wordt overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 19 oktober 2016 gemotiveerd uiteen heeft gezet dat de belastbaarheid van appellant op 3 februari 2016 in vergelijking met de WIA-beoordeling in september 2015 niet is gewijzigd. Daarbij heeft die verzekeringsarts van belang geacht dat ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het kader van de WIA-beoordeling in zijn rapport van 11 augustus 2016 op grond van dezelfde medische informatie heeft vastgesteld dat de belastbaarheid niet is gewijzigd ten opzichte van 3 september 2015. Op grond van de beschikbare medische gegevens kan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 19 oktober 2016 niet voor onjuist worden gehouden, waarbij in aanmerking is genomen dat van een toename van de rugklachten ten tijde hier in geding nog geen sprake was. Nu de belastbaarheid ongewijzigd is gebleven betekent dit dat appellant met ingang van 3 februari 2016 terecht geschikt is geacht voor één van de in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies. Het Uwv heeft terecht geweigerd hem met ingang van deze datum een ZW-uitkering toe te kennen.
8.3.
Uit de overwegingen 8.1 en 8.2 volgt dat de aangevallen uitspraak I, voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond is verklaard, eveneens voor bevestiging in aanmerking komt.
18

9. Nadat appellant zich, terwijl hij nog steeds een uitkering ontving op grond van de10. Het door appellant tegen bestreden besluit 3 ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak II ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de verzekeringsartsen een zorgvuldig onderzoek hebben ingesteld naar de medische situatie van appellant op 9 oktober 2017 en dat zij overtuigend hebben gemotiveerd waarom er geen redenen zijn om voor appellant meer beperkingen aan te nemen. De medische informatie die appellant in beroep heeft ingebracht ziet niet op de datum in geding. Bovendien heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn aanvullende rapport van 27 maart 2018 op deze informatie gereageerd. In dit rapport heeft hij een uitgebreide weergave van de medische informatie en de gestelde diagnoses gegeven en heeft hij geconcludeerd dat deze informatie en het feit dat appellant steeds meer klachten ervaart niet leidt tot het aannemen van meer beperkingen omdat het medisch beeld en de psychische situatie niet is veranderd. Met deze overwegingen heeft de rechtbank zich kunnen verenigen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant geschikt moet worden geacht voor de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functie van magazijn/expeditiemedewerker.
WW, op 9 oktober 2017 wederom ziek had gemeld is hij op 21 november 2017 op het spreekuur van een verzekeringsarts onderzocht. In een rapport van 1 december 2017 is deze verkeringsarts tot de conclusie gekomen dat de belastbaarheid van appellant in vergelijking met de eerdere WIA-beoordeling niet is gewijzigd en dat hij geschikt moet worden geacht voor één van in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies. Bij besluit van 8 december 2017 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 9 oktober 2017 een ZW-uitkering toe te kennen. Het door appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 24 januari 2018 (bestreden besluit 3) ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 januari 2018 ten grondslag.
11.1.
In hoger beroep heeft appellant gesteld dat het Uwv er ten onrechte vanuit is gegaan dat zijn belastbaarheid ongewijzigd is gebleven. Daarbij heeft hij er op gewezen dat hij op 12 oktober 2017 een therapeutisch wortelblokkade op niveau L5 heeft ondergaan en dat uit verklaring van orthopedisch chirurg dr. A. de Gast van 15 februari 2018 blijkt dat er sprake is van een beduidende artrose aan zijn rechterduim. Voorts heeft hij er op gewezen dat hem met ingang van 12 maart 2018 een ZW-uitkering is toegekend.
11.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak II bepleit. Het Uwv heeft in het verweerschrift in hoger beroep nog opgemerkt dat met de in de medische rapporten genoemde functie van magazijn, expeditiemedewerker wordt bedoeld de functie van medewerker intern transport met SBC-code 111220. Per abuis is de verkeerde functie genoemd, maar uit het rapport van de arbeidsdeskundige van 22 september 2016, uit welk rapport de functie is overgenomen, blijkt, gelet op de SBC-code en de onderliggende stukken uit het CBBS, dat het gaat om de functie van medewerker intern transport. Dit standpunt heeft appellant niet betwist.
12.1.
Onder verwijzing naar de overwegingen 8.1 tot en met 8.3 staat de Raad in dit geding voor de beantwoording van de vraag of appellant op 9 oktober 2017 terecht geschikt is geacht voor de functie medewerker intern transport met SBC-code 111220. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord. Het oordeel van de rechtbank dat de beperkingen van appellant in vergelijking met de eerdere WIA-beoordeling niet zijn toegenomen wordt onderschreven. Daarvoor wordt verwezen naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 januari 2018 en 27 maart 2018, waarin deze arts aan de hand van de verschillende klachten van appellant gemotiveerd uiteen heeft gezet dat deze klachten geen aanleiding vormen om meer beperkingen aan te nemen. Deze motivering kan, gelet op de beschikbare medische gegevens, niet voor onjuist worden gehouden, waarbij wordt overwogen – zoals blijkt uit het laatstgenoemde rapport – dat hij de wortelblokkade op niveau L5 en de artrose aan de rechterduim in zijn beoordeling heeft betrokken. In hoger beroep heeft appellant geen nieuwe medische stukken ingediend. Wat betreft de geschiktheid voor de functie van medewerker intern transport heeft deze arts in overweging genomen dat het een eenvoudige, routinematige en voorspelbare functie betreft, waarin sprake is van fysiek lichte en psychisch niet stresserende werkzaamheden en waarin geen sprake is van veelvuldige deadlines, hoge productiepieken of een bijzondere belasting wat betreft het omgaan van conflicten. Voorts heeft hij naar aanleiding van de stelling van appellant dat hij moeite heeft met staan/lopen en zwaar tillen/dragen in overweging genomen dat in de onderhavige functie maximaal vijftien minuten aaneengesloten behoeft te worden gestaan, maximaal twee minuten aaneengesloten behoeft te worden gelopen en maximaal drie kilogram behoeft te worden getild/gedragen. Voor wat de duimklachten van appellant betreft heeft hij er op gewezen dat in deze functie nauwelijks kracht behoeft te worden gezet met de duim en dat de duim een meer ondersteunende functie heeft. Op grond van deze overwegingen is deze verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat de belastbaarheid van appellant in de functie van medewerker intern transport niet wordt overschreden. Ook deze conclusie wordt onderschreven. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant met ingang van 9 oktober 2017 een ZW-uitkering toe te kennen. De omstandigheid dat appellant met ingang van 12 maart 2018 een ZW-uitkering is toegekend maakt dit niet anders. Zoals uit het verweerschrift in hoger beroep blijkt kon appellant naar aanleiding van zijn ziekmelding in 2018 pas in mei 2018 worden opgeroepen voor een onderzoek op het spreekuur, waarna is besloten informatie uit de behandelend sector op te vragen. In afwachting van die informatie is appellant bij besluit van 16 juli 2018 een ZW-uitkering toegekend. Het Uwv heeft vermeld dat de ZW-uitkering inmiddels weer is beëindigd.
12.2.
Uit overweging 12.1 volgt dat ook de aangevallen uitspraak II moet worden bevestigd.

13. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken I en II.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2019.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) R.H. Koopman

RB