Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:3

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 02-01-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 02-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:3, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 16/6850 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:3:DOC
nl

16


Datum uitspraak: 2 januari 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 september 2016, 16/1838 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.F. Achekar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2018. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Z. Seyban.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante, werkzaam als schoonmaakster voor 13,41 uur per week, heeft zich op 26 september 2012 wegens cardiale klachten ziek gemeld. Vervolgens heeft appellante in de wettelijke wachttijd een operatie ondergaan, te weten een aortaklepvervanging. Nadien bleek er ook een matige mitralisinsufficiëntie en tricuspidalisinsufficiëntie te zijn. Appellante bleef vermoeidheidsklachten houden. Daarnaast heeft zij klachten van de schildklier en zogenoemde etalagebenen, alsook hyperventilatieklachten. Voorts heeft zij psychische klachten ontwikkeld.
1.2.
Appellante heeft op 26 juni 2014 een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend bij het Uwv. Het Uwv heeft de re-integratie-inspanningen van de werkgever voor appellante beoordeeld en onvoldoende geacht, wat ertoe geleid heeft dat aan de werkgever een loonsanctie is opgelegd, die duurde tot en met 23 september 2015. In het kader van de einde-wachttijd-beoordeling na afloop van de loonsanctieperiode is appellante op 13 augustus 2015 onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv. Deze verzekeringsarts heeft in een rapport van 19 augustus 2015 vermeld dat appellante door de cardiale problematiek en de daaruit voortvloeiende psychische klachten ten opzichte van het normaal functioneren beperkingen heeft. Vanwege haar klachten is appellante aangewezen op fysiek lichte en niet al te stresserende werkzaamheden. De verzekeringsarts heeft de mogelijkheden en beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 augustus 2015. Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens in een rapport van 10 september 2015, aan de hand van wat appellante in vergelijking met haar maatmanloon kan verdienen met geselecteerde voorbeeldfuncties, berekend dat appellante per einde wachttijd, 23 september 2015, 8,41% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 11 september 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 23 september 2015 geen recht is ontstaan op een WIA-uitkering, omdat appellante met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.3.
Naar aanleiding van het tegen dit besluit gerichte bezwaar heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep dossierstudie verricht, de in bezwaar door appellante overgelegde medische informatie van de behandelend sector bezien, de hoorzitting bijgewoond en appellante aansluitend daarop op het spreekuur gezien. In een rapport van 28 januari 2016 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat sprake is van een aortaklepprothese, mitralis/tricuspidalisinsufficiëntie, PTSS en een overige somatoforme stoornis. Volgens hem zijn de beperkingen vooral gelegen in de PTSS- en angstklachten en vormen die klachten het accent in de beperkingen in de FML. De cardiale parameters impliceren in principe geen beperkingen, om welke reden de beperkingen voor het tillen en dragen en traplopen zijn herzien naar “licht beperkt”. De PTSS-klachten, waaronder met name de angstklachten en de afhankelijkheid in vervoer, hebben geleid tot een aanscherping van de FML. Naast de beperkingen voor patiëntencontact, is appellante ook beperkt geacht op klantcontact of werken in teamverband. Verder is zij sterk beperkt voor het omgaan met conflicten en is zij niet in staat om emotionele problemen van anderen te hanteren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de FML in lijn met zijn conclusies op 28 januari 2016 aangepast. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv heeft in zijn rapport van 1 februari 2016 geconcludeerd dat met de FML van 28 januari 2016, de door de arbeidsdeskundige voor appellante geselecteerde functies, onveranderd geschikt blijven. Vervolgens heeft het Uwv het bezwaar van appellante bij besluit van 5 februari 2016 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat op alle door appellante naar voren gebrachte punten heeft gereageerd. Appellante heeft naar het oordeel van de rechtbank geen objectief medische informatie ingebracht die twijfel doet rijzen aan de juistheid van de FML. Gelet hierop heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het inschakelen van een deskundige. Uitgaande van de FML heeft de rechtbank de geschiktheid van de voor appellante geselecteerde functies onderschreven.

3.1.
Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met haar beperkingen die voortkomen uit haar nek- en rugklachten, maar vooral uit haar cardiale en psychische klachten. Wat betreft de rug- en nekklachten is volgens haar iedere belasting onmogelijk vanwege pijnklachten. Wat betreft haar cardiale problematiek heeft appellante erop gewezen dat bij haar, nadat in 2012 de aortahartklep was vervangen, sprake is gebleven van cardiale problematiek vanwege nog twee andere lekkende hartkleppen. Omdat de artsen haar geen zekerheid hebben kunnen geven voor verbetering van de hartklachten leeft appellante continu in angst en onzekerheid, zodanig dat zij zelfs in haar dagelijks leven niet normaal kan functioneren. Door de angstige situatie is zij in depressiviteit geraakt, wat een groot obstakel vormt voor haar dagelijks functioneren. Voor de angst- en paniekklachten is zij onder behandeling van de GGZ geweest. Nu is zij daarvoor bij PuntP in behandeling. Appellante voelt zich, gelet op de voor haar klachten vastgestelde beperkingen door de verzekeringsartsen, niet serieus genomen. Alleen al vanwege haar hartkwaal en depressiviteit, is zij niet in staat de voor haar geselecteerde functies voltijds te verrichten. De werkzaamheden in de functies maken dat zij, gelet op haar hartklachten alsook haar nek-, schouder- en rugklachten, snel overbelast zal worden, wat voor haar te veel risico’s met zich zal brengen. Appellante acht zich volledig arbeidsongeschikt.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Voor een weergave van de toepasselijke wettelijke bepalingen wordt verwezen naar overwegingen 4.1 en 4.2 van de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt toegevoegd artikel 6, derde lid, van de Wet WIA, waarin is bepaald dat onder arbeid als bedoeld in artikel 4, eerste lid, en 5 wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
4.2.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat uit de medische stukken niet afgeleid kan worden dat appellante per 23 september 2015 meer, dan wel andere beperkingen had dan in de FML van 28 januari 2016 is vastgesteld. De informatie van de cardioloog en GGZ is uitdrukkelijk meegewogen en betrokken. In de informatie van de cardioloog ligt geen bevestiging van de stelling van appellante dat haar mogelijkheden zijn overschat. Met de psychische klachten is rekening gehouden in de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de FML specifiek vanwege de psychische klachten nog nader aangescherpt. Gewezen wordt op het rapport van 28 januari 2016 alsook het rapport van 18 april 2016 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Nu appellante ook in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens heeft overgelegd, bestaat er geen twijfel over de juistheid van de FML ten tijde hier in geding. De medische grondslag van het bestreden besluit wordt daarom onderschreven.
4.3.
De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat, uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde belastbaarheid in de FML van 28 januari 2016, zij in staat moest worden geacht om de voor haar geselecteerde functies te vervullen op 23 september 2015. Bij rapport van 1 februari 2016, onderdeel C, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de signaleringen in de geselecteerde functie voldoende toegelicht.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2019.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) R.P.W. Jongbloed

IvR