Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2974

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-09-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 12-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:2974, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18-2733 AW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:2974:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 12 september 2019

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het bestuur van de rechtbank [A.] (bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. Omlo, advocaat, beroep ingesteld tegen een besluit van het bestuur van 10 april 2018 (bestreden besluit).

Namens het bestuur heeft mr. S. van Waegeningh, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. E.C. van Fenema, mr. A.E.M. van den Berg en ir. L.A.J. Harmsen. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Waegeningh, mr. M.J. Blaisse en drs. M.F. Tillema.
overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is met toepassing van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder d, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) tijdelijk voor bepaalde tijd aangesteld als rechter in opleiding (rio) bij de rechtbank [A.] voor de periode 1 oktober 2016 tot 1 oktober 2021. Zij is met ingang van 1 oktober 2016 gestart met de initiële opleiding. In verband met de inwerkingtreding van de Wet opleidingshuis rechterlijke ambtenaren per 1 januari 2017 is aan appellante per die datum ontslag verleend uit haar aanstelling als gerechtsambtenaar en is zij per 1 januari 2017 benoemd als rio voor de (resterende) duur van haar opleiding.
1.2.
Appellante is van 1 januari 2017 tot 1 april 2018 geplaatst in de Leerwerkomgeving I bij [de afdeling].
1.3.
Op 11 juli 2017 heeft de beoordelingscommissie een tussenbeoordeling opgemaakt over de periode van 1 januari 2017 tot 3 juli 2017 met als judicium ‘onvoldoende’. Nadat appellante hierover haar zienswijze had gegeven, heeft het bestuur bij besluit van 5 oktober 2017 (beoordelingsbesluit) de beoordeling vastgesteld.
1.4.
Bij besluit van 11 oktober 2017 heeft het bestuur, gelet op de tussenbeoordeling, de opleiding van appellante tot rechter per 5 januari 2018 beëindigd (beëindigingsbesluit).
1.5.
Op 17 oktober 2017 heeft appellante het College voor de Rechten van de Mens (CRM) verzocht te beoordelen of het bestuur verboden onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt door haar opleiding tot rechter, en als gevolg daarvan haar benoeming als rio, te beëindigen.
1.6.
Bij brieven van 13 november 2017 heeft appellante bezwaar gemaakt, op nader aan te voeren gronden, tegen het beoordelingsbesluit en het beëindigingbesluit. In het bezwaarschrift tegen het beëindigingbesluit heeft appellante vermeld dat de directe consequentie van dit besluit is dat zij haar zetels in het College van Afgevaardigden bij de Raad voor de Rechtspraak en in de Rio‑raad verliest. Zij verzoekt daarom de uitvoering van dit besluit op te schorten, bij gebreke waarvan een voorlopige voorzieningenprocedure zal worden gestart.
1.7.
Bij brief van 28 november 2017 is appellante desgevraagd in de gelegenheid gesteld tot 28 december 2017 de gronden van bezwaar in te dienen. Appellante is erop gewezen dat, indien de gronden niet tijdig zijn ingediend, het bezwaar niet‑ontvankelijk kan worden verklaard. Het verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit is niet ingewilligd. Het bezetten van de in 1.6 genoemde zetels is geen vereiste om de opleiding tot rechter met goed gevolg af te ronden.
1.8.
Op 28 december 2017 heeft appellante de gronden van haar bezwaar ingediend.
1.9.
Het CRM heeft op 15 maart 2018 geoordeeld dat het bestuur jegens appellante geen verboden onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt.
1.10.
Bij besluit van 10 april 2018 (bestreden besluit) heeft het bestuur de bezwaren van appellante niet‑ontvankelijk verklaard, omdat de gronden van bezwaar niet zijn ingediend binnen de gestelde termijn. Deze termijn eindigde op 27 december 2017 en de gekozen formulering “deze termijn zal u worden verleend; dat wil zeggen tot 28 december 2017” is voldoende duidelijk. Het standpunt van appellante dat het bestuur, gelet op haar zienswijze en haar verzoekschrift aan het CRM, al bekend was met de gronden van bezwaar, wordt door het bestuur niet gedeeld. Niet alleen betreft het hier verschillende procedures, ook inhoudelijk kunnen de te laat ingediende gronden niet een‑op‑een gelijkgesteld worden met wat in de zienswijze en het verzoekschrift is gesteld. Indien gelijkstelling was beoogd, dan had het op de weg van appellante gelegen dat in haar pro forma bezwaar aan te geven. Daarin is echter expliciet gesteld dat het hier bezwaren op nader aan te voeren gronden betrof en daar mocht het bestuur in redelijkheid op vertrouwen, aldus het bestuur.Ten overvloede heeft het bestuur overwogen dat de bezwaren, indien de deze ontvankelijk zouden zijn geweest, ongegrond zouden zijn verklaard.
2. Appellante heeft zich - kort samengevat - primair op het standpunt gesteld dat nauwe samenhang bestaat tussen het beoordelingsbesluit en het beëindigingsbesluit, dat de bezwaren tegen die besluiten gevoegd zijn behandeld en dat het bestreden besluit op beide besluiten ziet. Het bezwaarschrift tegen het besluit tot beëindiging van de opleiding bevat wel een bezwaargrond, namelijk dat de besluiten tot gevolg hebben dat zij haar in 1.6 genoemde zetels zou verliezen. Daarmee heeft zij te kennen gegeven het niet eens te zijn met de besluiten. Voorts was het bestuur uit andere hoofde al bekend met de bezwaren die zij had tegen de besluiten, namelijk vanwege de procedure bij het CRM die dezelfde besluiten betreft. In ieder geval is daar één van de bezwaargronden (discriminatie) expliciet genoemd. Subsidiair heeft appellante aangevoerd dat de gronden van bezwaar wel tijdig zijn ingediend, omdat de bij brief van 28 november 2017 verleende termijn van zes weken is gaan lopen vanaf de datum van die brief, dus tot 9 januari 2018. Meer subsidiair is aangevoerd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 oktober 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB7463) worden in het algemeen geen hoge eisen gesteld aan de motivering van een bezwaarschrift. Dit brengt mee, dat in de regel ook van een in het bezwaarschrift gegeven summiere motivering van het bezwaar zal kunnen worden aangenomen dat daarmee is voldaan aan het vereiste van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet [de afdeling] (Awb). Dit neemt echter niet weg dat het bezwaarschrift wel, hoe summier ook verwoord, een concrete bezwaargrond dient te bevatten. Hiermee wordt een feitelijke grond bedoeld, waaronder de Raad verstaat een standpunt ten aanzien van de overwegingen van het bestreden besluit waarmee duidelijkheid wordt verschaft over het punt, dan wel de punten, waarmee de indiener van het bezwaarschrift het niet eens is. Zie de uitspraak van 24 december 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:4418).
3.2.
Met het bestuur is de Raad van oordeel dat beide brieven van 13 november 2017 geen concrete, feitelijke bezwaargronden bevatten. De brieven zijn te kwalificeren als pro forma bezwaarschriften. De vermelding van de consequentie van het verliezen van de in 1.6 genoemde zetels heeft het bestuur redelijkerwijs kunnen opvatten als motivering van het in diezelfde alinea gedane verzoek om de werking van het besluit op te schorten ter voorkoming van een voorlopige voorzieningenprocedure. Daarbij komt betekenis toe aan het feit dat deze brief is opgesteld en ondertekend door een advocaat. Tot slot geldt dat het hebben van die zetels geen overweging is in de bestreden besluiten.
3.3.
Het standpunt van appellante dat het bestuur al op de hoogte was van de inhoudelijke bezwaren tegen het beoordelings- en beëindigingsbesluit, wordt niet gevolgd. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 17 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2879, is de Raad van oordeel dat het aan de betrokkene is om bij het bezwaar de gronden waarop het bezwaar berust aan te voeren. Daar komt bij dat de procedure bij het CRM een geheel andere is dan hier aan de orde, nu die enkel kan leiden tot een rechtsoordeel over een verboden onderscheid en niet tot vernietiging van de genoemde besluiten zoals in een bestuursrechtelijke procedure. De primaire beroepsgrond slaagt dus niet.
3.4.
Appellante heeft subsidiair aangevoerd dat het bestuur bij brief van 28 november 2017 een termijn heeft verleend van zes weken, die gerekend vanaf de datum van deze brief zou lopen tot en met 9 januari 2018, zodat de gronden van het bezwaar tijdig zijn ingediend. Hierin volgt de Raad appellante niet. In die brief is het uitstel verleend “tot 28 december 2017”. De laatste dag van de verleende termijn is naar het oordeel van de Raad in dit geval 27 december 2017 gezien de gebruikte woorden tot 28 december 2017 en niet tot en met. Deze uitleg is in overeenstemming met het gangbare taalgebruik. Dit betekent dat de gronden van bezwaar uiterlijk op 27 december 2017 moesten worden ingediend.
3.5.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 10 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7822) moet in een geval als dit alleen worden onderzocht of sprake is van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. De beoordeling van de al dan niet verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding gaat vooraf aan, en staat geheel los van de inhoudelijke beoordeling van de zaak, zodat geen ruimte bestaat voor het maken van een belangenafweging. Verder is het vaste rechtspraak (ECLI:NL:CRVB:2013:2879) dat de omstandigheid dat de termijnoverschrijding gering is, niet kan leiden tot het oordeel dat de termijnoverschrijding niet kan worden tegengeworpen. Aan de strikte toepassing van de termijnen mag worden vastgehouden. Dat een besluit ingrijpend van aard is dan wel grote financiële gevolgen heeft, kan geen rol spelen bij de uitoefening van de bevoegdheid tot niet‑ontvankelijk verklaring. Deze rechtspraak brengt mee dat wat appellante heeft betoogd op meer subsidiaire grondslag niet kan slagen, omdat zij in dat kader heeft aangevoerd dat het bestuur een belangenafweging had behoren te maken.
3.6.
Omdat partijen op 22 februari 2018, een aantal dagen voor de hoorzitting in bezwaar, door de Landelijke Rechtspraak Adviescommissie Awb (adviescommissie) zijn geattendeerd op de termijnoverschrijding bij de indiening van de gronden van bezwaar, en dat dit aspect op de hoorzitting aan de orde zal worden gesteld, kan niet gezegd worden dat appellante de gerechtvaardigde indruk of verwachting mocht hebben dat het bestuur geen gebruik (meer) zou maken van zijn bevoegdheid tot niet‑ontvankelijkverklaring. Van het expliciet prijsgeven daarvan is de Raad niet gebleken; dat het verweerschrift van het bestuur ten behoeve van de adviescommissie dit standpunt niet bevat maakt dit nog niet anders. Het bestuur had de ruimte om na kennisneming van het advies van de adviescommissie te beslissen tot niet‑ontvankelijkheid van het bezwaar.
4. De Raad komt tot de slotsom dat de gronden van het bezwaar onverschoonbaar te laat zijn ingediend, zodat het bestuur bevoegd was het bezwaar niet‑ontvankelijk te verklaren en dat geen grond bestaat om te oordelen dat het bestuur niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas als voorzitter en C.H. Bangma en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 september 2019.

(getekend) H. Lagas

(getekend) F. Demiroğlu

md