Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2965

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-09-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 05-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:2965, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/4873 ANW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:2965:DOC
nl

17

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 1 juni 2017, 16/1363 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 5 september 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.C. Breuls, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2019. Appellante is, zoals aangekondigd, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sturmans.


overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 27 april 2005 heeft de Svb de nabestaandenuitkering van appellante op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) beëindigd met ingang van 1 augustus 2005, omdat haar jongste kind de leeftijd van achttien jaar had bereikt. Voor het geval appellante 45% of meer arbeidsongeschikt was, verzocht de Svb haar contact op te nemen.
1.2.
In januari 2015 heeft appellante een aanvraag voor een ANW-uitkering ingediend op basis van arbeidsongeschiktheid. Na ontvangst van een advies van het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) van 17 februari 2015, waarin werd vermeld dat appellante vanaf (arbitrair) 3 april 2005 arbeidsongeschikt moest worden geacht, heeft de Svb bij besluit van 5 maart 2015 de aanvraag van appellante afgewezen. De Svb gaf daarbij te kennen dat appellante vanaf 3 april 2005 arbeidsongeschikt was, maar op het moment van overlijden van haar echtgenoot in mei 2000 nog niet.
1.3.
Toen bleek dat in het besluit van 5 maart 2015 een onjuiste peildatum was gehanteerd, heeft de Svb het Uwv verzocht om een nadere onderbouwing van de stelling dat appellante (reeds) vanaf 3 april 2005 arbeidsongeschikt moest worden geacht. Bij het advies van 17 februari 2015 was geen informatie vanuit de behandelend sector betrokken. Er was geen Functionele Mogelijkhedenlijst opgemaakt. Evenmin had een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden.
1.4.
Op 4 juni 2015 heeft de verzekeringsarts van het Uwv opnieuw gerapporteerd over de ingangsdatum en mate van arbeidsongeschiktheid van appellante. Mede op basis van informatie van de huisarts van appellante is de eerste arbeidsongeschiktheidsdag alsnog arbitrair vastgesteld op 1 januari 2010.
1.5.
Bij besluit van 19 juni 2015 (primair besluit) heeft de Svb de afwijzing van de aanvraag van appellante gehandhaafd. Daartoe is overwogen dat appellante (niet eerder dan) vanaf 1 januari 2010 arbeidsongeschikt werd geacht. Zij voldeed daarom niet aan de voorwaarde van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, van de ANW.
1.6.
In bezwaar heeft appellante onder verwijzing naar een aantal documenten vanuit de behandelend sector betoogd dat zij op en na 31 juli 2005 wel degelijk ten minste 45% arbeidsongeschikt was, en dat de Svb dit al had vastgesteld bij besluit van 5 maart 2015.
1.7.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv heeft uit de nadere medische documentatie afgeleid dat er bij appellante in 2005 alleen sprake was van verminderde botdichtheid, die gezien de verrichte arbeid nog geen arbeidsbeperkingen met zich meebracht, maar niet van botontkalking. Blijkens informatie van de huisarts bestonden vanaf 2010 gewrichtsklachten, vanaf 2012 rugklachten en vanaf 2014 vingerklachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op grond hiervan vastgesteld dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag terecht was vastgesteld op 1 januari 2010.
1.8.
Bij besluit op bezwaar van 31 maart 2016 (bestreden besluit) heeft de Svb onder verwijzing naar de adviezen van het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsgeneeskundige advisering die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit in overeenstemming is met de eisen van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en de overigens daaraan te stellen zorgvuldigheidsvereisten. De primaire verzekeringsarts heeft appellante zelf tweemaal onderzocht en de informatie van de huisarts bij zijn bevindingen betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de overgelegde stukken van de behandelaars uit voorgaande jaren bij zijn heroverweging over de eerste arbeidsongeschiktheidsdag betrokken. De bevindingen van de onderzoeken zijn neergelegd in twee rapporten en daarbij hebben beide artsen gemotiveerd aangegeven hoe zij tot hun conclusies zijn gekomen. Het feit dat appellante niet is onderzocht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep betekent niet dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. Gelet op de door appellante zelf aangegeven omschrijving van de klachten en de objectief verifieerbare gegevens die door de behandelend sector beschikbaar zijn gesteld was dit voldoende om een duidelijk beeld te krijgen van de beperkingen van appellante op de peildatum en daarna. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien voor twijfel aan de deugdelijkheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Uit de stukken blijkt niet dat bij appellante op de peildatum 31 juli 2005 sprake was van beperkingen. Appellante was toen ook nog werkzaam. Appellante heeft geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat haar gezondheidstoestand op de peildatum al zodanig was dat er medische beperkingen golden. De rechtbank heeft verder de beroepsgrond dat de Svb is gehouden aan de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag in het besluit van 5 maart 2015, verworpen.
3. In hoger beroep heeft appellante volhard in haar standpunt dat de Svb niet had mogen terugkomen van de eerdere vaststelling dat zij vanaf 3 april 2005 arbeidsongeschikt was. Verder heeft zij onder overlegging van nadere medische documentatie herhaald dat zij vanaf 31 juli 2005 steeds ten minste 45% arbeidsongeschikt is geweest.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
De rechtbank heeft op goede gronden vastgesteld dat het bestreden besluit berust op (uiteindelijk) voldoende zorgvuldige medische advisering, en dat er geen reden is voor twijfel aan het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zoals dit (uiteindelijk) heeft plaatsgevonden. Aan de overwegingen van de rechtbank voegt de Raad nog toe dat appellante in 2005 geen gevolg heeft gegeven aan de suggestie van de Svb om, voor het geval zij 45% of meer arbeidsongeschikt was, contact op te nemen met de Svb. Uit de informatie van de behandelend artsen zoals overgelegd in hoger beroep blijkt dat appellante in 2005 een substitutietherapie onderging die haar uitstekend beviel, en dat er in september 2005 (slechts) sprake was van lichte osteopenie van de femurhals. In augustus 2006 had zij − onder invloed van de substitutietherapie − geen klachten. Deze informatie ondersteunt de stelling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er in 2005 geen sprake was van arbeidsbeperkingen als gevolg van ziekte of gebrek. Verder blijkt uit de informatie van de huisarts zoals verwoord onder 1.7, van gewrichtsklachten (niet eerder dan) vanaf 2010.
4.2.
Omdat er rond de peildatum 31 juli 2005 geen sprake was van arbeidsbeperkingen als gevolg van ziekte of gebrek, behoefde geen arbeidskundig onderzoek plaats te vinden.
4.3.
De grond dat de Svb gebonden is aan de eerdere stelling in het besluit van 5 maart 2015 dat appellante vanaf 3 april 2005 arbeidsongeschikt was, slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 7 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3478) ziet de formele rechtskracht van een besluit uitsluitend op de met dat besluit tot stand gebrachte rechtsgevolgen en dus niet mede op oordelen van feitelijke en juridische aard die daaraan ten grondslag hebben gelegen. Ook verzet het rechtszekerheidsbeginsel zich er in dit geval niet tegen dat de Svb alsnog van een latere eerste arbeidsongeschiktheidsdag uitgaat. Het resultaat van het bestreden besluit (afwijzing van de aanvraag) is immers niet anders dan het resultaat van het besluit van 5 maart 2015. Daarnaast bevatte het eerste advies van het Uwv zodanige onvolkomenheden dat de Svb vanuit een oogpunt van zorgvuldigheid en rechtmatigheid niet alleen gerechtigd maar ook gehouden moest worden geacht, een nadere onderbouwing te vragen.
4.4.
Het gestelde in 4.1 tot en met 4.3 leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2019.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) H. Achtot

md