Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2949

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-09-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 05-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:2949, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/6567 WAO


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:2949:DOC
nl

17

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 30 augustus 2017, 16/1184 en 17/344 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 5 september 2019

PROCESVERLOOP

Partijen hebben hoger beroep ingesteld en een verweerschrift ingediend.

Namens betrokkene heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2019. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Brauer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.


overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Voor de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Volstaan wordt met vermelding van het volgende.
1.2.
Betrokkene was werkzaam als maatschappelijk werkster. Met ingang van 2 mei 1994 is haar een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 24 juli 1996 heeft een rechtsvoorganger van het Uwv die uitkering met ingang van 31 januari 1996 ingetrokken omdat betrokkene geschikt werd bevonden voor het eigen werk.
1.3.
Op 22 februari 2013 heeft betrokkene het Uwv gevraagd om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong). Bij besluit van 21 maart 2013 heeft het Uwv die aanvraag afgewezen.
1.4.
Bij besluit van 26 augustus 2015 heeft het Uwv de aanvraag van betrokkene om een WAO‑uitkering afgewezen omdat in de periode van 31 januari 1996 tot 31 januari 2001 geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 43a van de WAO. Het door betrokkene tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 8 maart 2016 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.
1.5.
Bij besluit van 9 juni 2016 heeft het Uwv geweigerd om terug te komen van het besluit van 24 juli 1996. Het door betrokkene tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 16 januari 2017 (bestreden besluit 2) gegrond verklaard. Het Uwv heeft betrokkene alsnog met ingang van 28 januari 2013 een WAO‑uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Daaraan ligt ten grondslag dat het in 1996 ingenomen standpunt over de belastbaarheid van betrokkene voor onjuist moet worden gehouden. Een arts bezwaar en beroep van het Uwv heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, die betrekking heeft zowel op 31 januari 1996 als op 28 januari 2013. Een arbeidsdeskundige bewaar en beroep van het Uwv heeft op basis van die FML geconcludeerd dat betrokkene per 31 januari 1996 45 tot 55% arbeidsongeschikt moet worden geacht en per 28 januari 2013 55 tot 65% arbeidsongeschikt. Tevens heeft het Uwv bij bestreden besluit 2 de kosten vergoed die betrokkene heeft gemaakt om bezwaar te maken tot een bedrag van € 992,-.
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank:het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd;
-

bepaald dat het Uwv een nieuwe beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 9 juni 2016 neemt met inachtneming van haar uitspraak;

het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd;

bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 1 geheel in stand blijven;

het Uwv opgedragen het door betrokkene betaalde griffierecht aan haar te vergoeden;

het Uwv veroordeeld in de door betrokkene gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 2.493,54.

2.2.
De rechtbank heeft met betrekking tot bestreden besluit 2 overwogen dat daargelaten of de bij de schatting gebruikte functies toentertijd op de arbeidsmarkt voorkwamen en of deze in overeenstemming zijn met de belastbaarheid van betrokkene, geconstateerd moet worden dat deze functies noch vóór 31 januari 1996 noch vóór 28 januari 2013 aan betrokkene zijn voorgehouden en dat van een uitlooptermijn geen sprake is, wat volgens vaste rechtspraak uit zorgvuldigheidsoogpunt een vereiste is voor intrekking of verlaging van een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt dan ook een basis om betrokkene naar aanleiding van haar herzieningsverzoek in aanmerking te brengen voor een uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 80 tot 100%.
2.3.
De rechtbank heeft met betrekking tot bestreden besluit 1 overwogen dat gelet op wat is overwogen met betrekking tot bestreden besluit 2, bestreden besluit 1 op een onjuiste medische grondslag berust en daarom moet worden vernietigd. Nu uit de nadere medische beoordeling die tot bestreden besluit 2 heeft geleid, volgt dat de belastbaarheid van betrokkene sinds 31 januari 1996 niet is gewijzigd, is niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 43a dat sprake moet zijn van toegenomen arbeidsongeschiktheid. De rechtbank heeft daarom aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 geheel in stand te laten.
3.1.
Het Uwv heeft in hoger beroep aangevoerd – voor zover van belang – dat de zogeheten aanzegjurisprudentie niet van toepassing is in een geval als dit waarin naar aanleiding van een verzoek teruggekomen wordt van een eerder genomen beslissing tot intrekking van de WAO‑uitkering. Er is daarom geen sprake van een verplichting tot voorzetting van de WAO‑uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% met ingang van 31 januari 1996. Het Uwv heeft verder meegedeeld dat in afwijking van bestreden besluit 2 de datum van 22 februari 2012, een jaar voor de aanvraag van betrokkene om een Wajong‑uitkering, gekozen wordt als moment van betaalbaarstelling van de WAO‑uitkering. Het Uwv heeft verzocht te bepalen dat betrokkene met ingang van 22 februari 2012 in aanmerking komt voor een WAO‑uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.
3.2.
Betrokkene heeft in hoger beroep aangevoerd – voor zover van belang – dat zij vanaf 1996 volledig arbeidsongeschikt is. Zij is meer beperkt dan door het Uwv is aangenomen, waardoor zij niet geschikt is de geselecteerde functies te vervullen. Het medisch onderzoek door het Uwv is onzorgvuldig. Met een beroep op het arrest Korošec heeft zij de Raad verzocht een onafhankelijke deskundige in te schakelen. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat zij het oordeel van de rechtbank over de aanzegjurisprudentie onderschrijft. Meer subsidiair heeft zij aangevoerd dat er na 31 januari 1996 sprake is van een toename van haar klachten en beperkingen, zowel per 1999 als per 2012, waardoor zij als volledig arbeidsongeschikt is te beschouwen. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte het Uwv niet veroordeeld tot vergoeding van de door haar gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de hoorzitting in bezwaar tegen het besluit van 26 augustus 2015. Ten slotte heeft zij verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade, bestaande uit de wettelijke rente.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Ter zitting is komen vast te staan dat het Uwv alsnog het standpunt inneemt dat de WAO‑uitkering van betrokkene met ingang van 31 januari 1996 aan haar betaalbaar wordt gesteld naar de per die datum vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Het Uwv heeft voorts ter zitting meegedeeld het hoger beroep voor zover dat ziet op het oordeel van de rechtbank over bestreden besluit 1 niet langer te handhaven.
4.2.
Gelet op het verhandelde ter zitting is tussen partijen ten gronde in geschil de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 31 januari 1996 op 45 tot 55% en per 22 februari 2012 op 55 tot 65%. Met betrekking tot deze vaststellingen spitst het geschil zich toe op de omvang van de door het Uwv aangenomen beperkingen. Verder is tussen partijen ten gronde in geschil het oordeel van de rechtbank over de toepassing van de aanzegjurisprudentie.
De medische beoordeling per 31 januari 1996 en 22 februari 2012

4.3.
Aan bestreden besluit 2 liggen ten grondslag de verzekeringsgeneeskundige rapporten van 15 november 2016 en 20 december 2016. Geoordeeld moet worden dat de arts bezwaar en beroep een zorgvuldig onderzoek heeft verricht en dat niet is gebleken dat de rapporten inconsistenties bevatten of dat deze onvoldoende gemotiveerd zijn. Deze arts heeft dossierstudie verricht en in haar rapport van 15 november 2016 een overzicht gegeven van de vele in dit geding beschikbare medische informatie vanaf 1990. Daarbij is gemotiveerd ingegaan op de door betrokkene aangevoerde medische gronden en op de ingediende medische informatie. De klachten die betrokkene naar voren heeft gebracht en de medische informatie die in het dossier aanwezig is, zijn op deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat deze arts aspecten van de gezondheidssituatie van betrokkene heeft gemist.
4.4.
Het beroep op het arrest Korošec slaagt niet. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226) wordt hiertoe overwogen dat betrokkene in de procedure voldoende mogelijkheden heeft gehad om stukken in te dienen ter onderbouwing van haar standpunt dat haar psychische en lichamelijke beperkingen zijn onderschat en dat zij deze mogelijkheden ook heeft benut. Niet kan worden gezegd dat de door betrokkene ingezonden stukken naar hun aard niet geschikt zijn om twijfel te zaaien over de beoordeling door het Uwv. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat het beginsel van equality of arms wordt geschonden als door de bestuursrechter geen deskundige wordt ingeschakeld.
4.5.
Er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de vaststelling van de medische beperkingen door het Uwv per de data in geding. De arts bezwaar en beroep heeft op basis van de ontvangen medische informatie geconcludeerd dat in 1996 ten onrechte geen ziekte of gebrek kon worden vastgesteld. Bij betrokkene is inmiddels een aangeboren afwijking geconstateerd, die zeer wel de oorzaak van haar klachten en beperkingen kan verklaren. De vermoeidheidsklachten en spierpijnen vormden de grootste beperkingen. Gezien de bij de onderzoeksgegevens beschreven beperkingen acht de arts bezwaar en beroep het aannemelijk dat er meerdere beperkingen bestonden, die retrospectief gezien te duiden zijn als rechtstreeks en objectiveerbaar gevolg van ziekte of gebrek (te weten ‘adult tethered cord syndrome). Hierbij moet voornamelijk worden gedacht aan langdurig aaneengesloten handelingen, alsmede frequent minder zware handelingen. Betrokkene moet in staat worden geacht te wisselen van houding. Zij is aangewezen op licht fysieke werkzaamheden. Daarnaast heeft de arts bezwaar en beroep in de FML beperkingen aangenomen in de rubrieken 1 (persoonlijk functioneren) en 2 (sociaal functioneren), alsmede uit energetisch en preventief oogpunt een urenbeperking van vier uur per dag en twintig uren per week opgenomen. Met inachtneming van de medische informatie over de door betrokkene ondergane operaties in 2012 en 2013 en overige medische gegevens heeft de arts bezwaar en beroep geen redenen om aan te nemen dat er rond 28 januari 2013 een wezenlijke andere medische situatie bestond dan per 1996, zoals dat is aangegeven in de FML. Naar aanleiding van de door betrokkene in bezwaar ingebrachte medische stukken heeft de arts bezwaar en beroep erop gewezen dat de behandelend psychiater beperkingen stelt bij lichamelijke verrichtingen, maar dat dit niet zijn gebied van expertise is. Ook is een groot aantal beperkingen in omstandigheden beschreven zonder deze te beargumenteren. De op psychisch vlak geclaimde concentratie- en geheugenklachten acht de arts bezwaar en beroep niet te objectiveren. Naar aanleiding van wat betrokkene in beroep heeft ingebracht, heeft de arts bezwaar en beroep in haar rapport van 27 maart 2017 uiteengezet dat de beperkingen zoals vastgelegd in de FML voldoende medisch objectief zijn vast te stellen uit de medische gegevens en dat de door betrokkene zelf ervaren klachten en beperkingen niet of onvoldoende kunnen worden ondersteund door medisch objectiveerbare gegevens. De Raad ziet, gelet op de aanwezige medische gegevens zoals die door de arts bezwaar en beroep kenbaar en inzichtelijk in de beoordeling zijn betrokken, geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van deze beschouwingen en conclusies van de arts bezwaar en beroep. In hoger beroep heeft betrokkene geen nieuwe medische informatie aangedragen waardoor alsnog zou moeten worden getwijfeld aan de reeds aangenomen beperkingen in de FML. Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv, wordt ook op deze grond geen aanleiding gezien voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige.
De arbeidskundige beoordeling per 31 januari 1996 en 22 februari 2012

4.6.
Uitgaande van de juistheid van de voor betrokkene vastgestelde belastbaarheid in de FML moet betrokkene in staat worden geacht de voor haar geselecteerde functies te vervullen. De geschiktheid van betrokkene voor deze functies is door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep afdoende gemotiveerd. Verwezen wordt naar het Resultaat functiebeoordeling van de voorbeeldfuncties en de toelichting van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op de signaleringen van mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van betrokkene in de rapporten van 28 november 2016 en 27 december 2016.
4.7.
Vergelijking van de mediane verdienste van deze functies met het maatmaninkomen resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid per 31 januari 1996 van 45 tot 55% en per 22 februari 2012 van 55 tot 65%.
De aanzegjurisprudentie

4.8.
Anders dan betrokkene in navolging van de rechtbank heeft betoogd, ziet de zogeheten aanzegjurisprudentie uitsluitend op een situatie waarin een uitkering wordt herzien naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid. Het is vaste rechtspraak dat in die situatie het zorgvuldigheidsvereiste meebrengt dat het een verzekerde moet worden gegund om zich op een wijziging van de financiële situatie door een verlaging of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in te stellen. Voorts moet hem daarbij duidelijk zijn voor welke functies hij geschikt wordt bevonden, zodat hij zich kan oriënteren op passende functies op de arbeidsmarkt. Van een dergelijke situatie is in dit geval geen sprake. Betrokkene heeft het Uwv verzocht om terug te komen van het besluit van 24 juli 1996 tot intrekking van de WAO‑uitkering met ingang van 31 januari 1996. Inherent aan de beoordeling van een dergelijk verzoek is dat de medische en arbeidskundige herbeoordeling met terugwerkende kracht plaatsvindt en dat in dat verband functies worden geselecteerd per een datum in het verleden.
Conclusies

4.9.
Omdat het Uwv zowel met betrekking tot bestreden besluit 1 als met betrekking tot bestreden besluit 2 een gewijzigd standpunt heeft ingenomen, heeft de rechtbank beide bestreden besluiten terecht vernietigd. Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene terecht met ingang van 31 januari 1996 heeft vastgesteld op 45 tot 55% en met ingang van 22 februari 2012 op 55 tot 65%. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank heeft bepaald dat het Uwv een nieuwe beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 9 juni 2016 neemt met inachtneming van haar uitspraak. Gelet op het gewijzigde standpunt over de aanspraken van betrokkene met ingang van 31 januari 1996 moet de aangevallen uitspraak eveneens worden vernietigd voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 1 geheel in stand blijven. Het hoger beroep van betrokkene slaagt in zoverre. Het hoger beroep van het Uwv voor zover dat ziet op het oordeel van de rechtbank over bestreden besluit 2 slaagt. Om duidelijkheid aan partijen te geven over de aanspraken van betrokkene zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat betrokkene met ingang van 31 januari 1996 recht heeft op een WAO‑uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% en met ingang van 22 februari 2012 op een WAO‑uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. De besluiten van 26 augustus 2015 en van 9 juni 2016 worden herroepen.
4.10.
Betrokkene heeft met juistheid aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten het Uwv te veroordelen in de door betrokkene gemaakte reiskosten voor het verschijnen ter hoorzitting in het bezwaar tegen het besluit van 26 augustus 2015. In zoverre slaagt het hoger beroep van betrokkene. De Raad zal alsnog het Uwv veroordelen dat deze reiskosten tot een bedrag van € 13,44 aan betrokkene worden vergoed.
5. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente wordt toegewezen. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.
6. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 13,44 aan reiskosten in bezwaar tegen het besluit van 26 augustus 2015 en € 53,14 aan reiskosten in hoger beroep alsmede € 1.024,- aan kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, totaal € 1.090,58.
beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en T. Dompeling als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2019.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) J. Smolders

-

vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald dat het Uwv een nieuwe beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 9 juni 2016 neemt met inachtneming van die uitspraak;

vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 8 maart 2016 geheel in stand blijven;

vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij aan betrokkene niet de door haar gemaakte reiskosten in bezwaar tegen het besluit van 26 augustus 2015 zijn vergoed;

bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

herroept de besluiten van 26 augustus 2015 en 9 juni 2016 en bepaalt dat betrokkene met ingang van 31 januari 1996 recht heeft op een WAO‑uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% en met ingang van 22 februari 2012 op een WAO‑uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% en dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de besluiten van 8 maart 2016 en 16 januari 2017;

veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente als hiervoor omschreven;

veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.090,58;

bepaalt dat het Uwv aan betrokkene het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,- vergoedt.

TM