Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2926

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 06-09-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 05-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:2926, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/7240 ZW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:2926:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 5 september 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 september 2017, 16/7306 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en met inzending van een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep geantwoord op een vraag van de Raad. Appellante heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Vreeswijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.
overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als logistiek medewerker voor 40 uur per week. Op 14 oktober 2014 heeft zij zich ziek gemeld wegens visusklachten. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Appellante heeft nadien ook psychische klachten gekregen gerelateerd aan haar oogproblematiek.
1.2.
Na een Eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) is het recht op ziekengeld voortgezet, omdat appellante op dat moment geen benutbare mogelijkheden had. In het kader van een toetsing verbetering belastbaarheid in het tweede ziektejaar heeft een verzekeringsarts appellante op 13 april 2016 gezien. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van debeperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 april 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet in staat is haar eigen werk te verrichten, vervolgens zes functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante nog 83,27% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 20 april 2016 vastgesteld dat appellante met ingang van 21 mei 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 20 oktober 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het medisch onderzoek zorgvuldig geacht. Hiertoe heeft zij overwogen dat de artsen van het Uwv de oogklachten en psychische klachten van appellante op een deugdelijke en kenbare wijze bij de medische beoordeling hebben betrokken. Verder hebben de artsen van het Uwv de vastgelegde belastbaarheid van appellante op overtuigende wijze gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep adequaat gereageerd op wat door appellante in beroep naar voren is gebracht. Op de datum in geding was geen sprake van een depressie, maar een stemmingsstoornis en gebruikte appellante geen antidepressiva. Over de oogklachten van appellante heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gerapporteerd dat de behandelaars van appellante geen goede verklaring hebben kunnen vinden voor de oogklachten van appellante. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 26 januari 2017 voldoende toegelicht dat de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt.

3.1.
In hoger beroep heeft appellante herhaald dat de artsen van het Uwv haar beperkingen te licht hebben ingeschat. Zij acht zich niet in staat om de geselecteerde functies te vervullen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante informatie ingezonden van haar behandelaar drs. F. Cunha van 14 juni 2019.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit bij de toetsing wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 7 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4971).
4.2.
In hoger beroep heeft appellante in essentie de bij de rechtbank aan de orde gestelde gronden herhaald. Deze gronden geven geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de artsen van het Uwv een onjuist beeld hebben geacht van de psychische klachten, oogklachten of het medicatiegebruik van appellante ten tijde in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 5 juni 2019, in samenhang met zijn eerder rapport van 15 juni 2017, duidelijk en navolgbaar uiteengezet dat rond de datum in geding sprake was van een opklaring van de – aan de oogproblematiek gerelateerde – psychische problematiek. Op het spreekuur van 19 oktober 2016 was appellante nog wat mat, maar niet meer depressief. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft meegewogen dat uit de beschikbare informatie van de oogartsen van appellante naar voren komt dat de oogsituatie van appellante op 12 mei 2016, ondanks aanhoudende en moeilijk verklaarbare klachten, verbeterd was. Wat appellante in hoger beroep, onder verwijzing naar de ingezonden verklaring van Cunha van 14 juni 2019, heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding het medisch standpunt van het Uwv voor onjuist te houden. Cunha heeft daarin – kort weergegeven – uiteengezet dat appellante van medio 2015 tot eind 2016 en enkele keren in 2017 bij hem in behandeling is geweest en dat wisselend sprake was van periodes met meer dan wel minder ernstige psychische klachten, maar dat appellante nooit geheel vrij geweest is geweest van symptomen en klachten. Cunha heeft om die reden de oorspronkelijke diagnose depressieve stoornis, eenmalige episode, matig, voor de gehele periode gehandhaafd. Deze verklaring is ten aanzien van de datering echter onvoldoende concreet om te kunnen onderbouwen dat appellante op de datum in geding op psychische gronden meer beperkt was.
4.3.
De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de toetsing ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.
4.4.
De overwegingen in 4.2 en met 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2019.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) M.A.A. Traousis

md