Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2925

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 06-09-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 05-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:2925, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/5368 WAO


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:2925:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 5 september 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 juni 2017, 17/954 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. Rhodes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. G.L.D. Thomas, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld.

Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Aan appellante is met ingang van 2 september 1984 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Met het besluit van 5 maart 2009 is deze uitkering met ingang van 1 februari 2009 beëindigd omdat appellante niet heeft gereageerd op de oproepen van het Uwv.
1.2.
Bij brief van 6 mei 2016, binnengekomen bij het Uwv op 10 mei 2016, heeft appellante verzocht haar WAO-uitkering te hervatten. Na medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 6 september 2016 geweigerd appellante met ingang van 10 mei 2016 in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering, omdat zij met ingang van die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 7 februari 2017 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen rapporten van 2 februari 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 6 februari 2017 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien de door de verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aan te passen. Hij heeft de belastbaarheid van appellante neergelegd in de FML van 2 februari 2017. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de geselecteerde functies, ondanks de gewijzigde FML, nog steeds passend zijn voor appellante. De mate van arbeidsongeschiktheid is onveranderd vastgesteld op 0%.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante geen argumenten heeft aangevoerd op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat de medische beoordeling door het Uwv niet juist is. De medische grondslag van het bestreden besluit blijft daarom in stand. Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank in stand gelaten. Het in beroep door het Uwv gewijzigde maatmanloon heeft niet geleid tot een mate van arbeidsongeschiktheid van meer dan 15% en appellante heeft geen andere gronden aangevoerd.

3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de medische onderbouwing van het Uwv onjuist is en dat haar medische beperkingen zijn onderschat. Verder heeft zij aangevoerd dat zij de geduide functies niet kan verrichten en dat haar maatmanloon onjuist is vastgesteld.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de WAO met ingang van 10 mei 2016 wordt onderschreven.
4.2.
De gronden die appellante in hoger beroep aanvoert zijn een herhaling van de gronden die zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat er geen argumenten zijn om de medische beoordeling door het Uwv niet juist te achten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft wegens degeneratieve veranderingen, zoals die blijken uit de informatie van orthopedisch chirurg J. Cheung, aanvullende beperkingen aangenomen voor nek- en rugbelasting. Voor de handklachten zijn volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij onderzoek geen evidente pols- en handafwijkingen of ernstige bewegingsbelemmeringen aangetoond. Uit de verkregen informatie van de behandelend sector komt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook geen gewrichtspathologie naar voren. Omdat de handklachten niet zijn te herleiden tot een medisch objectiveerbare aandoening heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de voor handgebruik en schroefbewegingen aangenomen beperkingen laten vervallen. Wegens het ontbreken van een ernstige psychische stoornis acht zij ook een beperking voor werk zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen niet aan de orde. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder toereikend gemotiveerd dat in voldoende mate rekening is gehouden met de stressgevoeligheid van appellante en met haar duizeligheidklachten. Appellante heeft in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd op grond waarvan moet worden aangenomen dat de beperkingen niet juist zijn vastgesteld.
4.3.
Ook heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit in stand blijft. Uitgaande van de juistheid van de FML van 2 februari 2017 zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellante geschikt te achten. In een rapport van 28 maart 2017 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de hoogte van het maatmaninkomen inzichtelijk toegelicht. Appellante heeft de conclusie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op dit punt niet gemotiveerd weersproken.
4.4.
De overwegingen in 4.1 tot en met 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van G.D. Alting Siberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2019.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) G.D. Alting Siberg

IvR