Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2921

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 05-09-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 05-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:2921, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/2914 BPW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:2921:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 5 september 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen partijen en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 30 april 2018, kenmerk: BZ011190393 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Wbp).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Wegens het terugtreden van mr. Van Berkel heeft mr. M.M.F Starmans, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2019. Namens appellante is verschenen mr. Starmans. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen doorA.T.M. Vroom-van Berckel.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante, geboren in 1942, heeft in 1998 verzoeken ingediend op grond van de Wbp en op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Het verzoek op grond van de Wbp is afgewezen bij besluit van 28 april 1999. Wel is appellante bij besluit van 14 juni 1999 met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wuv met de vervolgde gelijkgesteld. Op grond van de Wuv is appellante in aanmerking gebracht voor een periodieke uitkering en verschillende voorzieningen.
1.2.
In december 2007 is appellante gelijkgesteld met één van de categorieën van personen op wie de Wbp van toepassing is. Vervolgens is aan appellante met ingang van 1 december 2005 een buitengewoon pensioen toegekend waarbij de Raad bij uitspraak van 6 maart 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1160) de mate van invaliditeit nader heeft bepaald op 100%.
1.3.
De ophoging van het Wbp-pensioen van appellante naar een mate van invaliditeit van 100% heeft ertoe geleid dat de rechten van appellante op grond van de Wuv verloren zijn gegaan. Als gevolg daarvan heeft verweerder bij besluit van 20 mei 2014 alle toekenningen van appellante op grond van de Wuv ingetrokken met ingang van de datum waarop het verhoogde percentage is gaan gelden, te weten in december 2005.
1.4.
In aansluiting op de onder 1.2 genoemde uitspraak heeft verweerder naar aanleiding van de aanvraag van juni 2014 appellante bij besluit van 12 januari 2015 een vergoeding toegekend voor één dagdeel huishoudelijke hulp waarvan de ingangsdatum van deze vergoeding na bezwaar bij besluit van 30 juni 2015 nader is bepaald op 1 januari 2013.
1.5.
Bij uitspraak van 16 november 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:3989) heeft de Raad het besluit van 30 juni 2015 vernietigd voor zover de ingangsdatum van de toegekende voorziening is bepaald op 1 januari 2013. Naar het oordeel van de Raad is - kort samengevat - het laat aanvragen van de voorziening het directe gevolg van de aanvankelijk onjuiste besluitvorming van verweerder die pas met de onder 1.2 genoemde uitspraak van 6 maart 2014 is gecorrigeerd. Nu verweerder alleen op grond van beleid de terugwerkende kracht van de ingangsdatum van de voorziening aan banden heeft gelegd en geen sprake is van een mogelijk wettelijk beletsel, geldt dat de omstandigheden van dit geval verweerder aanleiding hadden moeten geven om van het geldende beleid af te wijken. De gekozen ingangsdatum van 1 januari 2013 is niet houdbaar geacht. Verweerder is dan ook opgedragen te beoordelen in hoeverre de Wbp inhoudelijk ruimte biedt voor toekenning per 1 december 2005 van de in juni 2014 gevraagde voorziening.
1.6.
Bij het ter uitvoering van de onder 1.5 genoemde uitspraak genomen besluit van 30 april 2018 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 12 januari 2015 deels gegrond verklaard. De ingangsdatum van de voorziening voor huishoudelijke hulp is alsnog bepaald op 1 augustus 2012, de maand waarin appellante de leeftijd van 70 jaar heeft bereikt. Over de periode van 1 december 2005 tot 1 augustus 2012 heeft verweerder ook nu geen vergoeding voor huishoudelijke hulp toegekend.
2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

2.1.
In het kader van de Wbp hanteert verweerder het beleid - voor zover hier van belang - dat aan de pensioengerechtigde een vergoeding voor een dagdeel huishoudelijke hulp kan worden toegekend als de gerechtigde 70 jaar of ouder is en er sprake is van causale aandoeningen of als de pensioengerechtigde jonger is dan 70 jaar en er is een medische noodzaak voor een dagdeel op grond van causale aandoeningen. Toekenning in dat geval is alleen mogelijk indien de eventuele vergoeding voor huishoudelijke hulp meer zou bedragen dan de helft van de toegekende vermeerdering.
2.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat appellante over de periode van 1 december 2005 tot 1 augustus 2012 geen aanspraak kan maken op een vergoeding voor huishoudelijke hulp omdat niet wordt voldaan aan de voor de Wbp geldende voorwaarde dat de eventuele vergoeding voor huishoudelijke hulp meer zou bedragen dan de helft van de toegekende vermeerdering op haar buitengewoon pensioen. In het verweerschrift is nader toegelicht dat het betrekken van de vermeerdering bij de beoordeling van de voorziening in overeenstemming is met het in artikel 3 van de Uitvoeringsbeschikking artikel 11a der Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Uitvoeringsbeschikking), zoals die geldt vanaf 1 januari 1970.
2.3.
In artikel 3, onder III, van de Uitvoeringsbeschikking is bepaald dat voor een voorziening, anders dan de voorzieningen voor kosten van verpleging in een inrichting en van genees- en/of heelkundige behandeling dan wel extra kosten wegens dieetvoeding, die niet uit de aan de betrokkene toekomende vermeerdering kan worden bekostigd aan de betrokkene een naar redelijkheid vast te stellen tegemoetkoming in de kosten van die voorziening kan worden verleend.
2.4.
In het licht van artikel 3, onder III, van de Uitvoeringsbeschikking kan het daarop gebaseerde, en onder 1.2 geformuleerde, beleid van verweerder niet als onredelijk worden beoordeeld. Wat namens appellante op dit punt is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.
2.5.
De in het bestreden besluit vermelde berekening van de vergoeding van de huishoudelijke hulp zoals die per 1 december 2005 geldt, wordt door appellante niet betwist. Die berekening laat zien dat de vergoeding voor huishoudelijke hulp lager is dan de helft van de aan appellante toegekende vermeerdering op haar buitengewoon pensioen. Dat betekent dat appellante niet voldoet aan de in het beleid gestelde voorwaarden om vanaf 1 december 2005 in aanmerking te brengen voor een vergoeding voor huishoudelijke hulp. Het betoog dat appellante niet de dupe mag zijn van de late en onjuiste besluitvorming van verweerder wordt niet gevolgd. Gelet op het financiële plaatje zou appellante ook bij een tijdige besluitvorming in 2005 niet hebben voldaan aan voorwaarden voor het toekennen van de voorziening.
2.6.
Het betoog van appellante dat verweerder met het hanteren van verschillend beleid voor personen die ouder dan wel jonger zijn dan 70 jaar een ongeoorloofd onderscheid maakt in leeftijd, wordt niet gevolgd. Appellante doelt op het Besluit vervallen causaliteit en voortzetting voorzieningen wetten voor oorlogsgetroffenen (Stb. 2004, 282) (Besluit) waarbij onder meer de eis van causaliteit voor bepaalde voorzieningen is komen te vervallen voor gerechtigden die 70 jaar of ouder zijn. Naar de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0304) ziet het Besluit niet op gelijke gevallen en kan van een ongerechtvaardigd onderscheid naar leeftijd niet worden gesproken.
2.7.
Uit 2.5 en 2.6 volgt dat het beroep niet slaagt.
3. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

3.1.
In zaken zoals deze, waarin het primaire besluit is genomen na 1 februari 2014, is de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar in beslag heeft genomen (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188). Daarbij geldt dat in beginsel het bezwaar binnen een half jaar en het beroep binnen anderhalf jaar zouden moeten worden afgehandeld.
3.2.
In een geval als dit, waarin vernietiging door de Raad van een besluit op bezwaar heeft geleid tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en een hernieuwde behandeling door de rechter, moet de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure één of meer keren sprake is geweest van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat. (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4801).
3.3.
Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder op 6 februari 2015 tot aan de datum van deze uitspraak zijn vier jaren en zeven maanden verstreken. Dat is meer dan de twee jaren die op grond van de rechtspraak geoorloofd is. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee jaar zou mogen bedragen. Dat betekent dat de gehele overschrijding van de redelijke termijn twee jaar en zeven maanden bedraagt en zou leiden tot een schadevergoeding van € 3.000,-. Gelet op de onder 1.5 genoemde uitspraak van 16 november 2017 waarbij al een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is toegekend, resteert nog een bedrag van € 2.000,-. De periode vanaf het ontvangst van het beroepschrift op 25 mei 2018 tot de datum van deze uitspraak beslaat minder dan anderhalf jaar. De periode na de uitspraak van 17 november 2017 komt daarom in het geheel voor rekening van verweerder. Verweerder zal dan ook worden veroordeeld tot vergoeding van schade tot een bedrag van € 2.000,-. 4. Het geslaagde beroep op schending van de redelijke termijn geeft aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 512,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, beide wegingsfactor 0,5) voor verleende rechtsbijstand.
beslissing

BESLISSING

- verklaart het beroep ongegrond;- veroordeelt verweerder tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 2.000,-.- veroordeelt verweerder in de kosten van appellante tot een bedrag van € 512,-;- bepaalt dat verweerder aan appellante het in beroep betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt.
De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van A.A.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2019.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) A.A.H. Ibrahim

md