Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2715

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-08-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 14-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:2715, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/6819 ZW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:2715:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 14 augustus 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 4 september 2017, 17/405 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A.C. van Etten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Etten. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.M.J.E. Budel.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is werkzaam geweest als conciërge voor 36 uur per week. Zijn dienstverband is op 1 juli 2012 geëindigd. Appellant heeft zich op 14 juli 2016 ziek gemeld met energetische klachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft aan appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.2.
Op 11 november 2016 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 18 november 2016 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van conciërge. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 11 november 2016 de ZW-uitkering van appellant per 18 november 2016 beëindigd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 13 december 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 december 2016 ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is verricht en dat de geschiktheid van appellant voor de maatgevende arbeid op de datum in geding in de rapporten van de verzekeringsartsen op overtuigende wijze is gemotiveerd.

3.1.
In hoger beroep heeft appellant – kort weergegeven – aangevoerd dat het Uwv geen eenduidig beeld heeft gehad van zijn werk als conciërge en dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn medische beperkingen. Daarbij heeft appellant onder meer verwezen naar de informatie van zijn behandelend psychiater van 20 februari 2015 en heeft appellant verzocht om benoeming van een onafhankelijk psychiater. Om zijn standpunten nader te onderbouwen heeft appellant aanvullende informatie ingebracht van zijn behandelend psychiater van 25 juli 2017 en van zijn behandelend cardioloog van 6 juni 2019.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.
4.2.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Daar wordt het volgende aan toegevoegd.
4.3.
Zoals blijkt uit de werkomschrijving die appellant heeft ingevuld op de vragenlijst “Ziektewet werk en opleiding” van 5 augustus 2016, heeft hij voor het laatst gewerkt als conciërge. Daarbij heeft appellant vermeld dat het openen en sluiten van het gebouw, het verrichten van kleine onderhoudswerkzaamheden, administratie en het handhaven van de regels, de belangrijkste taken en werkomstandigheden zijn. Uit het rapport van 11 november 2016 van de verzekeringsarts blijkt dat hij op de hoogte was van deze werkzaamheden en daarnaast bij de beoordeling rekening heeft gehouden met aanvullende belastende kenmerken. Zo is beschreven dat de belasting in de functie (fysiek/mentaal) bestaat uit lopen, klimmen, bukken, tillen en sjouwen (max tien kilogram), klantencontact, armbelastende arbeid, zittend werken en werken met de computer. Ter zitting is verwezen naar verschillende zich in het dossier bevindende beschrijvingen van de belasting. Deze in aanmerking nemend valt niet in te zien waarom er bij de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) met de hierboven beschreven belasting geen voldoende eenduidig en duidelijk beeld bestond van de aard en de zwaarte van de werkzaamheden van het laatst verrichte werk van appellant.
4.4.
De door appellant in hoger beroep overgelegde medische informatie van de cardioloog en de psychiater kan verder niet leiden tot het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld zou hebben gehad van zijn medische toestand op de datum in geding, 18 november 2016. Wat de hartklachten betreft is sprake van een stabiele situatie met medicamenteuze behandeling. Deze klachten waren bekend in de voorgeschiedenis en zijn betrokken bij de beoordeling in bezwaar. Dit geldt eveneens voor de informatie van de psychiater. De behandeling en diagnose zijn niet veranderd. Ook beschrijft de behandelend psychiater op 25 juli 2017 dat de laatste jaren de klachten redelijk medicamenteus in remissie zijn getreden en naar de achtergrond zijn gedrongen. Dit beeld wordt door de verzekeringsarts bezwaar en beroep volledig onderschreven, gelet op het eigen onderzoek dat op 12 december 2016 is verricht, waarbij geen aanwijzingen zijn gevonden voor een angst- of paniekstoornis. Gelet op de maatgevende arbeid die niet overmatig stresserend is en fysiek niet al te zwaar belastend, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat appellant hiervoor geschikt kan worden geacht. Dit betekent dat geen aanleiding bestaat om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het Uwv op goede gronden de ZW-uitkering van appellant per 18 november 2016 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van W.M. Swinkels als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2019.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) W.M. Swinkels

OS