Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2706

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-08-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 08-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:2706, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/7435 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:2706:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 8 augustus 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 10 oktober 2017, 16/773 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G. Tajjiou, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2019. Namens appellant is mr. Tajjiou verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.
overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is werkzaam geweest als inpakker/sorteerder voor gemiddeld 36,36 uur per week. Op 2 december 2013 heeft appellant zich met nek- en armklachten ziek gemeld. Appellant ontving op dat moment een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Op 24 augustus 2015 heeft appellant een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Bij besluit van 11 november 2015 heeft het Uwv appellant een uitkering op grond van de Wet WIA geweigerd, omdat appellant met ingang van 30 november 2015 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Hieraan lagen een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek ten grondslag.
1.2.
Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 november 2015 is bij beslissing op bezwaar van 4 februari 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft erop gewezen dat de verzekeringsarts appellant heeft onderzocht en door appellant tijdens het spreekuurcontact verstrekte informatie over zijn psychische klachten en de problemen met zijn zoon heeft meegewogen. Ook heeft de verzekeringsarts informatie van de behandelend sector in zijn beoordeling betrokken. De rechtbank heeft er verder op gewezen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitvoerig is ingegaan op de psychische klachten van appellant en nadere informatie van de psycholoog kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt uit deze nadere informatie dat de diagnose niet geheel duidelijk is en dat ook niet geheel duidelijk is waar de diagnose op is gebaseerd. Wel is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep duidelijk dat het door de verzekeringsarts verrichte psychische onderzoek geen afwijkingen opleverde en dat met name uit informatie van de huisarts een beeld ontstaat van een forse focus door appellant op lichamelijke klachten, waarbij de verzekeringsarts bezwaar en beroep het opstarten van psychotherapie in dat verband onderschrijft. In de boosheidsklachten van appellant, die volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep duiden op acceptatieproblematiek, en het ontaarden hiervan, maanden na de datum in geding, in stemmingsproblematiek heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding gezien om op de datum in geding beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren aan te nemen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Ook heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om aan te nemen dat de verzekeringsarts in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 29 oktober 2015 de functionele mogelijkheden van appellant niet correct heeft vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit berust op een juiste medische grondslag en dat appellant daarom per 30 november 2015 in staat moet worden geacht de geselecteerde functies te vervullen. Ten aanzien van de vaststelling van het maatmanloon heeft de rechtbank geen aanleiding gezien aan de conclusie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het in beroep ingebrachte rapport van 18 april 2017 te twijfelen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft gemotiveerd toegelicht dat de maatman de inpakker/sorteerder is en niet de heftruckchauffeur, waardoor volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de door appellant bedoelde toeslagen niet kunnen worden meegenomen bij de vaststelling van het maatmanloon.

3.1.
Appellant heeft in hoger beroep verzocht wat hij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Volgens appellant heeft de rechtbank in de onderdelen 5 tot en met 9 van de aangevallen uitspraak ten onrechte geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, dat er geen aanleiding bestaat om aan de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen en dat de vastgestelde beperkingen op juiste wijze in de FML zijn neergelegd. Appellant heeft betoogd dat hij in de procedure bij de rechtbank voldoende heeft toegelicht dat en waarom hij als arbeidsongeschikt in de zin van de Wet WIA is aan te merken. Ook heeft appellant erop gewezen dat verzuimd is hem in bezwaar te horen. In hoger beroep heeft appellant ter onderbouwing van zijn standpunt informatie ingediend van een fysiotherapeut van 11 juni 2019, een overzicht van de huisarts van radiologische onderzoeken op 18 september 2015, een aanvraagformulier verstrekkingen betreffende paramedische hulp van 25 juni 2014 en een huisartsenjournaal waaruit blijkt dat appellant op 27 oktober 2015 voor zijn psychische klachten is doorverwezen naar de [instelling] Verder heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank in onderdeel 11 van de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat het maatmanloon op juiste wijze is vastgesteld.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is goeddeels een herhaling van wat hij in bezwaar en beroep tegen de medische onderbouwing van het bestreden besluit heeft aangevoerd. De gronden die in beroep zijn aangevoerd zijn door de rechtbank in de onderdelen 6 tot en met 9 van de aangevallen uitspraak, zoals verkort weergegeven onder 2 van deze uitspraak, gemotiveerd besproken. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de aangevallen uitspraak op deze onderdelen onjuist dan wel onvolledig is. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid worden daarom geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.2.
In de medische informatie die appellant in hoger beroep in het geding heeft gebracht, worden geen aanknopingspunten gezien om appellant te volgen in zijn standpunt dat de verzekeringsartsen voor zijn psychische klachten verdergaande beperkingen in de FML hadden moeten aannemen. De gemachtigde van het Uwv heeft ter zitting gemotiveerd toegelicht dat de verzekeringsartsen de psychische klachten van appellant, waarop de doorverwijzing van 27 oktober 2015 in het huisartsenjournaal ziet, hebben meegenomen in hun beoordeling, dat de in het journaal vermelde medicatie geen betrekking heeft op de medische situatie van appellant op 30 november 2015 en dat hetzelfde geldt voor de informatie van de fysiotherapeut. Het Uwv wordt in deze toelichting gevolgd.
4.3.
Met wat appellant ter zitting heeft aangevoerd, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is verricht omdat het Uwv heeft verzuimd hem in bezwaar te horen. Uit een telefoonnotitie van het Uwv van 11 december 2015 volgt dat appellant daar zelf van heeft afgezien, nadat hem naar aanleiding van zijn bezwaar door een medewerker van het Uwv het doel van de hoorzitting was uitgelegd en was meegedeeld dat een verzekeringsarts bezwaar en beroep een hoorzitting bijwoont, aan wie hij zijn medische bezwaren kan voorleggen. In de telefoonnotitie is vermeld dat appellant tegen de medewerker van het Uwv heeft gezegd dat een hoorzitting hem te veel energie kost. Niet valt in te zien waarom appellant niet aan deze mededeling kan worden gehouden. Ter zitting is bevestigd dat appellant het Nederlands redelijk beheerst. Hij heeft de medewerker van het Uwv tijdens het telefoongesprek niet om uitleg heeft gevraagd en heeft ook niet aan de medewerker gevraagd om een derde, een familielid of vriend, te bellen zodat deze later aan hem zou kunnen uitleggen wat er op 11 december 2015 over de bezwaarprocedure is gezegd.
4.4.
Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant en dat appellant in staat moet worden geacht deze functies te vervullen.
4.5.
Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat de arbeidsdeskundige en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep het maatmaninkomen onjuist hebben vastgesteld. In het rapport van 18 april 2017 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gemotiveerd toegelicht dat de maatman de functie van inpakker/sorteerder is en niet de functie van heftruckchauffeur, waardoor volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de door appellant bedoelde toeslagen niet kunnen worden meegenomen bij de vaststelling van het maatmaninkomen, wat een bevestiging is van de conclusies van de arbeidsdeskundige en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Er bestaat geen aanleiding om aan deze conclusie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep te twijfelen. Dat een berekening ontbreekt leidt, anders dan appellant meent, niet tot twijfel aan deze conclusie.
5. Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van M.A.E. Lageweg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2019.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) M.A.E. Lageweg

md