Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2705

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-08-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 07-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:2705, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/3029 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:2705:DOC
nl

17



Datum uitspraak: 7 augustus 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 9 maart 2017, 16/2096 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.N. Hermans, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2019. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M.J. Schoonbrood, kantoorgenoot van mr. Hermans. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M.C. Bastings.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is werkzaam geweest als interieurverzorgster gedurende 9,5 uur per week. Zij heeft zich op 13 maart 2006 ziek gemeld met nekklachten en migraine. Appellante is op 21 mei 2008 onderzocht door een verzekeringsarts, die de bij appellante bestaande beperkingen heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 mei 2008. Met inachtneming van deze FML heeft een arbeidsdeskundige geen functies kunnen selecteren, waarna hij heeft geconcludeerd dat appellante per einde wachttijd 100% arbeidsongeschikt moet worden geacht. Het Uwv heeft appellante vervolgens met ingang van 10 maart 2008 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij is vastgesteld dat appellante volledig arbeidsongeschikt is. De WIA-uitkering is per 10 januari 2010 voortgezet als een WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd is gebleven.
1.2.
Op 26 oktober 2015 heeft appellante zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld en heeft het Uwv verzocht haar een IVA-uitkering toe te kennen. Een arts van het Uwv heeft appellante onderzocht en op 19 februari 2016 een FML opgesteld. Deze arts heeft het standpunt ingenomen dat er een discrepantie bestaat tussen de door appellante ervaren klachten en de medisch objectiveerbare afwijkingen als rechtstreeks en objectiveerbaar gevolg van ziekte of gebrek, en heeft vastgesteld dat appellante weliswaar beperkt is, maar minder beperkt dan is vastgesteld in 2008. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens aan de hand van wat appellante kan verdienen met geselecteerde voorbeeldfuncties berekend dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid 0,42% is. Bij besluit van 3 maart 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante vanaf 4 mei 2016 geen recht meer bestaat op een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat zij vanaf die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.3.
Bij besluit van 30 mei 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 3 maart 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, onder verwijzing naar een rapport van 23 mei 2016 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 26 mei 2016 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
2.1.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Tijdens de beroepsfase heeft een (verzekerings)arts bezwaar en beroep in een rapport van 16 februari 2017 toegelicht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 23 mei 2016 ten onrechte heeft vermeld dat de in 2016 opgestelde FML gelijk was aan de FML uit 2008. De (verzekerings)arts bezwaar en beroep heeft vermeld dat in de FML van 19 februari 2016 wel degelijk enkele beperkingen als minder zwaar zijn aangenomen of zelfs zijn komen te vervallen, maar dat ook meer beperkingen zijn aangenomen wat betreft persoonlijk functioneren. De (verzekerings)arts bezwaar en beroep heeft zich kunnen verenigen met de FML van 19 februari 2016, maar heeft daaraan op 16 februari 2017, in verband met de bekende nekklachten en de rond de datum in geding bestaande slijmbeursontsteking in beide schouders, een zwaardere beperking toegevoegd op item 4.14 (tillen of dragen) en een beperking op item 5.7 (boven schouderhoogte actief zijn). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in een rapport van 16 februari 2017 geconstateerd dat de door de arbeidsdeskundige geduide functies ook op grond van de aangepaste FML van 16 februari 2017 geschikt te achten zijn voor appellante.
2.2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze, volledig en ook overigens conform de eisen die aan een dergelijk onderzoek worden gesteld, heeft plaatsgevonden. Zo hebben de primaire (verzekerings)arts en de (verzekerings)arts bezwaar en beroep de informatie van de behandelend artsen van appellante in hun beoordeling meegenomen. Niet gebleken is dat die informatie onjuist is uitgelegd. Appellante heeft geen (nadere) medische gegevens in het geding gebracht die twijfel wekken over de correctheid van de vaststelling van haar belastbaarheid op de datum in geding. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat de mogelijkheden en beperkingen van appellante op onjuiste wijze in de FML van 16 februari 2017 zijn neergelegd. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat een onderzoek door een onafhankelijke deskundige in de rede ligt, nu het Uwv van de conclusie in 2008 dat appellante volledig arbeidsongeschikt is te achten, in 2016 is geswitcht naar de conclusie dat zij volledig arbeidsgeschikt is te achten, terwijl de klachten van appellante niet zijn gewijzigd. De rechtbank heeft overwogen dat zij hierin geen aanleiding heeft gezien voor een onderzoek door een onpartijdige deskundige. Indien onduidelijkheid over of twijfel bestaat aan de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts zal in beginsel aanleiding zijn om bij wijze van ongelijkheidscompensatie een door de rechtbank te benoemen deskundige in te schakelen. De rechtbank heeft evenwel geconcludeerd dat uit hetgeen hiervoor is overwogen echter volgt dat de door appellante naar voren gebrachte argumenten geen aanleiding geven voor onduidelijkheid over of twijfel aan de conclusies van de (verzekerings)arts(en). Het enkele feit dat appellante het niet eens is met de uitkomst van de medische herbeoordeling, is evenmin een reden voor het benoemen van een onpartijdige deskundige, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft dan ook geoordeeld dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust en dat appellante medisch gezien in staat moet worden geacht de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies te vervullen.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante gesteld dat de besluitvorming onzorgvuldig is geweest, nu het in beroep overgelegde rapport van 16 februari 2017 slechts is ondertekend door een arts bezwaar en beroep, en niet door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Verder heeft appellante het op grond van het beginsel van equality of arms noodzakelijk geacht dat deze Raad een onafhankelijke deskundige benoemt. Appellante heeft verder herhaald dat het bestreden besluit in strijd is met de medische realiteit. Appellante heeft er in dat kader op gewezen dat vastgesteld is dat zij lijdt aan de chronische aandoeningen cervicale artrose in combinatie met migraine en evenwichtsstoornissen, en dat in verband met deze aandoeningen in 2008 geen functies geduid konden worden en zij volledig arbeidsongeschikt werd geacht. Sindsdien is zij door de toename van de artrose en de ontstane fibromyalgie ook nog energetisch fors beperkt. Het Uwv heeft dan ook ten onrechte gesteld dat appellante nog slechts 0,42% arbeidsongeschikt is; een deugdelijke motivering voor de fors toegenomen arbeidsgeschiktheid bij voortschrijdende en aanvullende chronische aandoeningen ontbreekt. Gelet op de daardoor ontstane twijfel heeft appellante de Raad verzocht een onafhankelijke deskundige te benoemen.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
In zijn uitspraak van 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226, heeft de Raad de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen van het Uwv. De stelling van appellante dat het op grond van het beginsel van equality of arms noodzakelijk is dat deze Raad een onafhankelijke deskundige benoemt is aanleiding om aan de hand van de in de uitspraak van 30 juni 2017 onderscheiden stappen te beoordelen of sprake is geweest van zorgvuldige besluitvorming, vervolgens of sprake is van equality of arms tussen partijen, waarna als derde stap een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit volgt.
Stap 1: zorgvuldigheid van de besluitvorming

4.2.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Wat de rechtbank hierover heeft overwogen wordt onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. Ter zitting van de Raad heeft appellante de stelling ingenomen dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest, omdat het in de beroepsfase overgelegde rapport van 16 februari 2017 slechts is ondertekend door een arts bezwaar en beroep. In de uitspraak van 13 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4018, heeft de Raad overwogen dat het bij een (her)beoordeling van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet WIA vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid niet kan worden aanvaard dat het medisch onderzoek zowel in de primaire fase als in de bezwaarfase wordt verricht door een arts, niet zijnde een geregistreerd verzekeringsarts. In dit geval is het uitgebreide onderzoek in de bezwaarfase verricht door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Voor zover in de primaire fase al sprake is van een gebrek, is dat gebrek hersteld met dat onderzoek. Het in de beroepsfase overgelegde rapport van 16 februari 2017, waarbij de FML van 19 februari 2016 is aangescherpt, is opgesteld door een arts bezwaar en beroep en een verzekeringsarts bezwaar en beroep, en (alleen) ondertekend door de arts bezwaar en beroep. Het enkele gegeven dat in de beroepsfase een rapport is ingebracht dat niet (ook) is medeondertekend door een verzekeringsarts bezwaar en beroep maakt niet dat, zoals appellante stelt, reeds daarom sprake is van een medisch onzorgvuldig onderzoek.
Stap 2: equality of arms

4.3.
Er is geen reden om aan te nemen dat appellante belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van haar standpunt dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat. Appellante heeft in de procedure voldoende ruimte gehad om daartoe medische stukken in te dienen. Die ruimte heeft zij ook benut, door inzending van gegevens van haar huisarts (in de bezwaarfase) en haar reumatoloog (in de beroepsfase). Volgens appellante dient de Raad een verzekeringsarts als deskundige te benoemen, nu zij financieel niet in staat is zelf een deskundige in te schakelen. Het arrest Korošec brengt echter niet met zich mee dat, als er wel stukken uit de behandelend medische sector zijn ingebracht, de equality of arms geschonden is door het enkele feit dat door betrokkene niet zelf een rapport van een (verzekerings)arts is ingebracht. De brieven van de huisarts van 4 april 2016 en de reumatoloog van 12 april 2016 bevatten informatie over de nekklachten en de reumatologische klachten van appellante. Deze informatie is naar zijn aard geschikt om twijfel te zaaien aan de conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv, met inbegrip van de conclusies over de belastbaarheid van appellante. Er is daarom geen sprake van schending van het beginsel van equality of arms en geen aanleiding om op die grond een deskundige in te schakelen. Het door appellante gestelde financiële onvermogen speelt hierbij verder geen rol.
Stap 3: inhoudelijke beoordeling

4.4.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust. Wat de rechtbank hierover heeft overwogen wordt onderschreven. In hoger beroep heeft appellante geen nieuwe medische informatie overgelegd die steun biedt voor haar standpunt dat haar beperkingen zijn onderschat. Het enkele gegeven dat het Uwv in de FML van 19 februari 2016, aangevuld op 16 februari 2017, minder beperkingen heeft opgenomen dan in de FML uit 2008 is op zich onvoldoende voor de conclusie dat sprake is van twijfel aan de medische beoordeling door het Uwv. In dat kader is van belang dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 16 februari 2017 toereikend heeft gemotiveerd waarom sprake is van verschillen tussen voornoemde FML’s. Er is daarom, ook in hoger beroep, geen aanleiding een deskundige te benoemen.
4.5.
Ook het oordeel van de rechtbank dat appellante in staat moet worden geacht de door de arbeidsdeskundige geduide functies te verrichten wordt onderschreven.
4.6.
Gelet op wat onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd. Voor toewijzing van het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente is bij deze uitkomst geen plaats.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

- bevestigt de aangevallen uitspraak;- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van C.I. Heijkoop als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2019.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) C.I. Heijkoop

KS