Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2690

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-08-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 09-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:2690, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/3283 AOW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:2690:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 9 augustus 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 21 maart 2017, 16/3883 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.G.L. van Nus, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. S.J. de Haan, kantoorgenoot van mr. van Nus. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.M. Mulder.

OVERWEGINGEN

1. Met een besluit van 23 mei 2016 is aan appellant medegedeeld dat hij schuldig nalatig is verklaard over het jaar 2005, omdat hij de premies voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) voor dat jaar niet heeft voldaan. Met een beslissing van 2 augustus 2016 (bestreden besluit) is het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard.
2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat in de situatie van appellant artikel 61 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) van toepassing is. Omdat het een ambtshalve opgelegde aanslag is geweest, dient de Svb op grond van artikel 61, tweede lid, onder a, van de Wfsv over te gaan tot het nemen van een besluit tot schuldig nalatig verklaren. Slechts indien appellant aannemelijk kan maken dat hij de aanslag niet heeft ontvangen en hem dit niet is toe te rekenen, kan van het schuldig nalatig verklaren worden afgezien. Appellant heeft zich begin 2006 laten uitschrijven uit het Nederlandse bevolkingsregister en is in Brazilië gaan wonen. Niet is gebleken dat hij bij de officiële instanties een postadres in Nederland of een feitelijk adres in Brazilië heeft achtergelaten. Appellant is er volgens de rechtbank niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij de belastingaanslag van 14 oktober 2008, betrekking hebbend op 2005, niet heeft ontvangen en dat dit hem niet is toe te rekenen.
3. In hoger beroep stelt appellant dat hij wel een adres in Brazilië heeft achtergelaten, maar dat dit, gezien de lengte daarvan, mogelijk niet paste in het systeem van het geautomatiseerde bevolkingsregister. Ook stelt hij dat hij de Belastingdienst heeft verzocht alle correspondentie te richten aan zijn belastingadviseur. Tevens is hij van mening dat deze adviseur wel degelijk een fiscale aangifte heeft gedaan voor het jaar 2005. Tot slot heeft appellant herhaald dat hij van de Belastingdienst heeft vernomen dat daar geen schuld over het jaar 2005 bekend is.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1.1.
In artikel 42, eerste lid, van de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen is bepaald dat met betrekking tot de financiering van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten over de kalenderjaren, gelegen voor de datum van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van de Wfsv, het recht van toepassing blijft, zoals dit gold voor die datum. De Wfsv is – ten aanzien van de hier van belang zijnde bepalingen – in werking getreden met ingang van 1 januari 2006. Derhalve dient het onderhavige geschil, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld en waarop de Svb het bestreden besluit had gebaseerd, te worden beslecht met toepassing van de bepalingen van de Wet financiering volksverzekeringen (Wfv).

4.1.2.
De omstandigheid dat de aangevallen uitspraak is gebaseerd op een onjuist wettelijk kader, brengt niet mee dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Niet gebleken is dat appellant door het onjuiste wettelijk kader is benadeeld in zijn processuele positie. De Wfv bevat, voor zover voor dit geding van belang, immers een gelijke regeling als de Wfsv.
4.2.1.
In artikel 18, eerste lid, van de Wfv – zoals die bepaling ten tijde hier van belang luidde – is bepaald dat, indien een premieplichtige nalatig is gebleven over een bepaald jaar de op aanslag verschuldigde premie voor de volksverzekeringen te betalen, de Svb daarvan aantekening houdt, indien zij beslist dat van een schuldig nalaten sprake is.
4.2.2.
Ingevolge de eerste volzin van het tweede lid van artikel 18 van de Wfv is een premieplichtige schuldig nalatig indien hij nalaat de door hem op aanslag verschuldigde premie voor de volksverzekeringen te betalen. Voor zover de premieplichtige kan aantonen dat er omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan het niet betalen van de premie hem niet toegerekend kan worden, wordt afgezien van het schuldig nalatig stellen van de premieplichtige.
4.2.3.
Ingevolge artikel 18, derde lid, aanhef en onder a, van de Wfv, wordt van het schuldig nalatig stellen niet afgezien als de aanslag voor de premie voor de volksverzekeringen ambtshalve is vastgesteld omdat de premieplichtige geen of onvoldoende medewerking heeft verleend bij het vaststellen van het premie-inkomen.
4.2.4.
In artikel 18a, tweede volzin, van de Wfv is bepaald dat het beroep slechts dan kan zijn gegrond op het verweer dat de aanslag niet is ontvangen, indien belanghebbende aannemelijk kan maken dat hij de aanslag nimmer ontvangen heeft en dat er geen omstandigheden zijn op grond waarvan het niet ontvangen van de aanslag hem kan worden toegerekend.
4.3.
Appellant stelt dat er wel, namens hem, aangifte is gedaan over 2005, zodat van een ambtshalve aanslag geen sprake kan zijn. De Belastingdienst heeft echter aan de Svb laten weten dat er wel degelijk sprake is van een ambtshalve aanslag. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding om deze informatie in twijfel te trekken. Hoewel appellant nog over vele stukken en correspondentie uit de jaren 2005/2006 beschikt, heeft hij geen aangifte over 2005 kunnen overleggen. Volgens appellant werden zijn belastingzaken destijds, en toen reeds vele jaren, behandeld door zijn vaste belastingadviseur. Niet is gebleken dat deze een aangifte over 2005 heeft ingezonden bij de Belastingdienst, noch dat er tussen deze adviseur en de Belastingdienst, dan wel tussen appellant en deze adviseur, contact is geweest over de aangifte voor 2005. Evenmin blijkt dat appellant naderhand, toen hij geen reactie ontving op zijn gestelde aangifte, contact hierover met zijn adviseur, dan wel de Belastingdienst, heeft opgenomen.
4.4.
Appellant stelt verder dat hij de aanslag over 2005 nooit heeft ontvangen. De vraag of het appellant niet toegerekend kan worden dat hij deze niet heeft ontvangen, wordt ontkennend beantwoord. Het had op de weg van appellant gelegen zijn adres in Brazilië bij de Belastingdienst kenbaar te maken. Niet is gebleken dat hij hiertoe is overgegaan. Nu er sprake is van een ambtshalve aanslag en het appellant is toe te rekenen dat hij deze niet heeft ontvangen en niet heeft voldaan, moet worden geconcludeerd dat hij terecht over het jaar 2005 schuldig nalatig is verklaard.
4.5.
Uit 4.1.1 tot en met 4.4 volgt dat de rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft verklaard, maar met toepassing van een onjuist wettelijk kader. De aangevallen uitspraak zal dan ook bevestigd worden, met verbetering van de gronden.
5. De Svb wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellant, welke worden begroot op € 1.024,- in beroep en € 1.024,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

beslissing

BESLISSING

- bevestigt de aangevallen uitspraak;- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant van in totaal € 2.048,-;- bepaalt dat de Svb het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.
De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2019.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) J. Smolders

md