Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2689

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-08-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 09-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:2689, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/393 AOW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:2689:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 9 augustus 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 december 2016, 16/2300 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.J.W.F. Deen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Deen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen doormr. A.F.L.B. Metz.
overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is [in] 1951 geboren te Curaçao en heeft de Nederlandse nationaliteit. Van [datum] 1967 tot en met [datum] 1970 studeerde appellante in Suriname. Daarna is appellante verhuisd naar Europees Nederland. Hier werd zij verplicht verzekerd voor de Algemene Ouderdomswet (AOW).
1.2.
De Svb heeft appellante op 13 november 2015 desgevraagd een pensioenoverzicht verstrekt. Daarin is vermeld dat appellante over [datum] 1967 tot en met [datum] 1970 niet verzekerd wordt geacht voor de AOW.

1.3.
Appellante heeft tegen het pensioenoverzicht van 13 november 2015 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar heeft de Svb bij besluit van 16 maart 2016 (bestreden besluit) ongegrond geacht.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.
Appellante heeft de aangevallen uitspraak bestreden. Gewezen is op wat in een brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 juni 2016 is vermeld over de toepassing van de Wet Beperking export uitkeringen ten aanzien van inwoners van de door Israël bezette gebieden (Kamerstukken II 2015/16, 34 300 XV, nr. 90). Dat er blijkens deze brief ten behoeve van inwoners van de door Israël bezette gebieden een uitzondering is gemaakt op een wettelijke regeling, omdat een strikte toepassing van deze wettelijke regeling zou leiden tot onbillijke gevolgen, duidt er volgens appellante op dat er ook een uitzondering kan worden gemaakt op de wettelijke regeling die in dit geding van toepassing is. Dat de toepassing van deze wettelijke regeling in de situatie van appellante leidt tot onbillijke gevolgen, is (pas ter zitting van de Raad) onderbouwd met de stelling dat appellante er ten tijde van belang niet op is gewezen dat zij zich over de periode waarin zij in Suriname heeft gestudeerd – binnen een bepaalde termijn – vrijwillig had kunnen bijverzekeren voor de AOW.
3.2.
De Svb heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de Svb appellante overeenkomstig de in artikel 6 van de AOW opgenomen dwingendrechtelijke wettelijke regeling terecht niet verzekerd heeft geacht over het tijdvak [datum] 1967 tot en met [datum] 1970.

4.2.
Voor zover appellante heeft betoogd dat de toepassing van de wettelijke regeling in haar geval onbillijk uitpakt, wordt allereerst overwogen dat het de rechter ingevolge artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet vrij staat om de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen.
4.3.
Verder wordt verwezen naar vaste rechtspraak van de Raad waarbij is aangesloten bij het oordeel van de Hoge Raad, inhoudende dat artikel 120 van de Grondwet (mede) een verbod inhoudt om wetten in formele zin, zoals in dit geval de AOW, te toetsen aan algemene rechtsbeginselen en dat de rechter niet mag treden in een belangenafweging die reeds door de wetgever is verricht of geacht moet worden te zijn verricht (zie het Harmonisatiewetarrest van de Hoge Raad van 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725). Van in aanmerking te nemen “niet door de wetgever verdisconteerde omstandigheden”, welke volgens diezelfde rechtspraak aanleiding kunnen vormen strikte wetstoepassing achterwege te laten wanneer die toepassing in strijd zou komen met een fundamenteel rechtsbeginsel, is in dit geval niet gebleken. De stelling van appellante dat zij er ten tijde van belang niet op is gewezen dat zij zich over het niet-verzekerde tijdvak vrijwillig had kunnen verzekeren, is niet zo’n omstandigheid en leidt er niet toe dat strikte toepassing van artikel 6 van de AOW in haar geval zou leiden tot strijd met een fundamenteel rechtsbeginsel.
4.4.
Voor zover de verwijzing van appellante naar de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 juni 2016, zou moeten worden aangemerkt als een beroep op enig verbod van discriminatie, faalt dit beroep, omdat de situatie van appellante zozeer verschilt van de situatie waarop de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 juni 2016 betrekking heeft, dat er geen sprake is van vergelijkbare gevallen.
4.5.
Uit de overwegingen 4.2 tot en met 4.4 volgt dat wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2019.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) J. Smolders

md