Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2688

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-08-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 09-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:2688, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 16/7647 AOW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:2688:DOC
nl

16


Datum uitspraak: 9 augustus 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 november 2016, 15/5968 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2019. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.M. Mulder.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Aan appellant is per juli 2011 een AOW-pensioen toegekend naar het maximale bedrag voor iemand die duurzaam gescheiden leeft of alleenstaand is. Per december 2012 is de uitbetaling hiervan door de Svb geschorst, omdat onduidelijk was waar appellant woonde. Nadat appellant had laten weten zich in [gemeente 1] te hebben ingeschreven, is de uitbetaling van het pensioen hervat. Toen zijn echtgenote in april 2015 een AOW-pensioen aanvroeg, bleek dit adres in [gemeente 1] haar adres te zijn. In haar aanvraag heeft zij aangegeven dat appellant bij haar in huis woonde. Met een besluit van 4 mei 2015 heeft de Svb appellant laten weten dat zijn AOW-pensioen met ingang van december 2012 is herzien naar een pensioen voor een gehuwde. In een brief van dezelfde datum heeft de Svb aangekondigd dat van hem het te veel betaalde zal worden teruggevorderd en het voornemen bestaat hem een boete op te leggen.
1.2.
In bezwaar heeft appellant aangegeven wel weer met zijn echtgenote te gaan samenwonen, maar pas in de toekomst als alle formaliteiten geregeld zijn. Hij bestrijdt dat er sinds december 2012 geen sprake meer zou zijn van duurzaam gescheiden leven. Hij stelt dat het adres in [gemeente 1] slechts een post- en inschrijfadres was en dat hij feitelijk meestal bij zijn zoon in [gemeente 2] verbleef en met hem meereed naar zijn werk in Amsterdam. De gegevens die zijn echtgenote in haar AOW-aanvraag vermeldde, zagen op de situatie in de toekomst vanaf het opnieuw gaan samenwonen. Ze hadden geen betrekking op de situatie vanaf december 2012. In een beslissing op bezwaar van 14 september 2015 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.
2. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de Svb terecht heeft aangenomen dat appellant vanaf 28 november 2012 niet meer duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote. Naar het oordeel van de rechtbank waren er geen dringende redenen om van herziening met terugwerkende kracht af te zien, zodat het beroep ongegrond is verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant in essentie zijn standpunten herhaald. De Svb pleit voor een bevestiging van de aangevallen uitspraak.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In geding is de vraag of de Svb terecht heeft geoordeeld dat aan appellant per december 2012 een AOW-pensioen voor een gehuwde toekomt. Uit een besluit van 16 juli 2015 blijkt dat de Svb heeft afgezien van het opleggen van een boete. Uit een besluit van dezelfde datum volgt dat appellant een bedrag van € 10.399,79 dient terug te betalen. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.
4.2.
De herziening van het AOW-pensioen is gebaseerd op de stelling van de Svb dat vanaf 28 november 2012 geen sprake meer is van duurzaam gescheiden leven. Op deze datum heeft appellant zich ingeschreven op het adres van zijn echtgenote. Uit een onderzoek van de Svb op 24 juni 2015 is gebleken dat een aantal bewoners uit de straat waar de echtgenote van appellant woont en hijzelf staat ingeschreven, heeft gemeld dat op het adres een man, vrouw en dochter wonen. Ook de werkgever van appellant heeft dit adres als woonadres van appellant in het systeem staan.
4.3.
Artikel 1, derde lid, van de AOW luidt: ‘3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad; b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.’
4.4.
Volgens vaste rechtspraak, voor zover hier van belang, is van duurzaam gescheiden leven van gehuwden sprake indien de toestand is ontstaan dat, na de door beiden of één van hen gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt alsof hij niet met de ander gehuwd was en deze toestand door beiden of één van hen als bestendig is bedoeld.
4.5.
De Svb heeft aangenomen dat appellant tot eind november 2012 duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote. Nu de Svb pas in mei 2015 heeft besloten dat hier, per november 2012, niet meer van gesproken kan worden, dient de Svb aannemelijk te maken dat de situatie is gewijzigd.
4.6.
Uit de stukken blijkt, en ter zitting is dit door de Svb bevestigd, dat van groot belang is geacht de inschrijving van appellant op het adres van zijn echtgenote. Daarnaast hecht de Svb belang aan de, in 2015 ontvangen informatie uit het buurtonderzoek in [gemeente 1] , de gegevens van de werkgever van appellant en het aanvraagformulier AOW van de echtgenote van appellant.
4.7.
Naar het oordeel van de Raad heeft de Svb uit de inschrijving van appellant in november 2012, in 2015 ondersteund door de andere genoemde onderzoeksbevindingen, op goede gronden de conclusie getrokken dat vanaf de datum van inschrijving niet meer van duurzaam gescheiden leven gesproken kon worden. Appellant heeft niet met verifieerbare gegevens onderbouwd dat de feitelijke situatie omtrent zijn woon- en verblijfplaats anders was dan bleek uit de, door hem zelf doorgevoerde, inschrijving in [gemeente 1] . Hij heeft een overzicht van zijn bankrekening overgelegd, waaruit blijkt dat hij een gering aantal pinbetalingen in [gemeente 1] heeft uitgevoerd. Maar uit dit overzicht blijkt niet dat hij veelvuldig pinbetalingen uitvoerde in zijn, gestelde, woonplaats De Meern. Appellant heeft, als verklaring voor het inschrijven in [gemeente 1] en niet in De Meern, aangevoerd dat hij, door de schorsing van zijn AOW-pensioen, snel actie moest ondernemen en dat [gemeente 1] voor hem bekend terrein was. Niet blijkt echter dat hij naderhand alsnog tot inschrijving in [gemeente 2] is overgegaan, dan wel dat de inschrijving in [gemeente 1] slechts als postadres was bedoeld. Overigens zou ook het hebben van een postadres op het adres van zijn echtgenote de vraag oproepen of nog wel van duurzaam gescheiden leven gesproken zou kunnen worden, nu er in ieder geval over de post een veelvuldiger contact tussen de echtgenoten zou ontstaan.
4.8.
Daarnaast is de mededeling van zijn echtgenote op haar aanvraagformulier, dat onder andere appellant woonachtig was op haar woonadres, eveneens een belangrijke aanwijzing dat niet meer van duurzaam gescheiden leven gesproken kon worden. Hoewel naderhand zijn echtgenote aan de Svb heeft laten weten dat deze mededeling betrekking had op de situatie zoals die zou zijn op het moment dat haar recht op AOW zou ingaan en niet zag op de situatie zoals die ten tijde van de aanvraag was, blijkt dit niet uit de formulering op het aanvraagformulier en is ook deze stelling niet onderbouwd met concrete gegevens.
4.9.
Hoewel appellant veelvuldig en uitgebreid heeft gewezen op alle fouten die de Svb zou hebben gemaakt, heeft hij weinig concrete en verifieerbare gegevens omtrent zijn woon- en verblijfplaats in het geding gebracht. Het feit dat iemand die stelt duurzaam gescheiden te leven van zijn echtgenote, zich in laat schrijven op haar adres en daar jarenlang ingeschreven blijft, roept in ieder geval vragen op, zeker als nadien wel weer onweersproken sprake is van samenwonen in het betreffende huis. Een en ander brengt met zich mee dat de verklaringen van appellant met behoedzaamheid dienen te worden benaderd, en dat appellant slechts kan worden gevolgd in zijn stelling dat er, ondanks de inschrijving aan het adres van zijn echtgenote, vanaf december 2012 nog steeds sprake was van duurzaam gescheiden leven, voor zover deze stelling door het dossier op overtuigende wijze wordt ondersteund. Uit het dossier blijkt geen overtuigende ondersteuning van die stelling. Dat de Svb voortvarender had kunnen handelen, doet hieraan niet af.
4.10.
Hieruit volgt dat de Svb terecht tot herziening van het AOW-pensioen van appellant is overgegaan met ingang van december 2012. Dringende redenen om van herziening met volledig terugwerkende kracht af te zien, zijn niet gebleken.
4.11.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak zal dan ook bevestigd worden.

5. Voor een veroordeling tot vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2019.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) J. Smolders

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.

md