Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2682

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-08-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 08-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:2682, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/3170 ZW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:2682:DOC
nl

17/3170 ZW
Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 23 maart 2017, 16/2914 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 8 augustus 2019PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. I. Staps-Geenen, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2019. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door C.A.A. van Overdijk, bijgestaan door mr. T.M.A. Arts, kantoorgenoot van mr. Staps-Geenen.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant heeft bij besluit van 12 januari 2015 geweigerd om [werknemer] (werknemer) per 4 februari 2015 in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat werknemer minder dan 35% arbeidsongeschikt was. In dat besluit is onder meer vermeld dat de wachttijd zal duren tot en met 3 februari 2015, dat een nieuwe werkgever in aanmerking komt voor premiekorting als werknemer binnen vijf jaar na 4 februari 2015 in dienst treedt en dat werknemer recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) wanneer hij in de eerste vijf jaar van die dienstbetrekking ziek wordt.
1.2.
Werknemer is per 4 februari 2015 in dienst getreden bij betrokkene. Op 8 juli 2016 is werknemer wegens ziekte uitgevallen.
1.3.
Bij besluit van 15 juli 2016 heeft appellant werknemer een ZW-uitkering geweigerd, omdat hij op 8 juli 2016, meer dan vier weken na de eerdere wachttijd, opnieuw ziek is geworden. Werknemer heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt omdat hem in het besluit van 12 januari 2015 was toegezegd dat hij bij een nieuwe werkgever gedurende vijf jaar verzekerd zou zijn van ZW-uitkering. Ook betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 15 juli 2016. Het bezwaar van betrokkene is abusievelijk niet in behandeling genomen.
1.4.
Appellant heeft het bezwaar van werknemer bij besluit van 22 augustus 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard, omdat werknemer niet na 4 februari 2015 bij betrokkene in dienst is getreden maar op 4 februari 2015.
1.5.
Betrokkene heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Betrokkene heeft aangevoerd dat ten onrechte niet op haar bezwaar is beslist. Voorts heeft betrokkene gesteld dat aan werknemer ten onrechte een ZW-uitkering is geweigerd. Volgens betrokkene is het dienstverband met werknemer aangegaan binnen vijf jaar na 4 februari 2015. Daarom dient werknemer in aanmerking te worden gebracht voor een ZW-uitkering.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ontvankelijk geacht en gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 15 juli 2016 herroepen, de uitspraak ervoor in de plaats gesteld en werknemer per 8 juli 2016 een ZW-uitkering toegekend. Volgens de rechtbank is het bij de invoering van de zogeheten no-riskpolis in artikel 29b, eerste lid, van de ZW de bedoeling van de wetgever geweest om het voor werkgevers aantrekkelijker te maken om “35-minners” in dienst te nemen, ongeacht het tijdsverloop tussen einde wachttijd en indiensttreding zolang dat binnen vijf jaar valt.

3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de woorden “na die dag” in artikel 29b, eerste lid, onder b, onderdeel 4, van de ZW betekenen dat de termijn van vijf jaar, als bedoeld in dat artikelonderdeel, niet aanvangt op 4 februari 2015 maar op de dag erna.
3.2.
Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Volgens haar volgt uit de wetsgeschiedenis dat werknemer aanspraak kan maken op de no-riskpolis als bedoeld in artikel 29b, eerste lid, van de ZW vanaf 4 februari 2015.
4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.
Artikel 29b, eerste lid, van de ZW luidt voor zover hier van belang:
a. (…),b. van wie in een arbeidskundig onderzoek is vastgesteld dat hij op de eerste dag na afloop van de wachttijd, bedoeld in artikel 23 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of van het tijdvak, bedoeld in artikel 24, eerste lid, 25, negende lid, of 26, tweede lid, tweede zin, van die wet of na afloop van het tijdvak, bedoeld in artikel 629, elfde lid, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel van het tijdvak, bedoeld in artikel 29, tiende lid, onderdeel a, of artikel 76a, zesde lid, onderdeel a,:c. (…), ofd. (…),heeft vanaf de eerste dag van zijn ongeschiktheid tot werken recht op ziekengeld over perioden van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte die zijn aangevangen in de vijf jaren na aanvang van de dienstbetrekking.
De werknemer:

1°. minder dan 35% arbeidsongeschikt is,2°. alsmede op de eerste dag van elf weken voorafgaand aan die dag geen dienstbetrekking meer had of geen dienstbetrekking had met een andere werkgever dan zijn eigen werkgever, tenzij de dienstbetrekking met die andere werkgever reeds bestond op de eerste dag van de wachttijd,3°. niet in staat is tot het verrichten van eigen of andere passende arbeid bij de eigen werkgever, en4°. binnen vijf jaar na die dag in dienstbetrekking werkzaamheden gaat verrichten bij een werkgever,
4.2.
Uit het besluit van 12 januari 2015 blijkt dat de wachttijd van werknemer eindigde op 3 februari 2015. Voorts is in dat besluit vermeld dat bij arbeidskundig onderzoek is vastgesteld dat werknemer per 4 februari 2015, de eerste dag na afloop van de wachttijd, minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Tussen partijen staat vast dat werknemer voldoet aan de voorwaarden 1, 2 en 3 van het eerste lid van artikel 29b, onder b, van de ZW.
4.3.
De vraag die partijen verdeeld houdt betreft de uitleg van de woorden “na die dag” in artikel 29b, eerste lid, onder b, onderdeel 4, van de ZW. Volgens appellant moeten die woorden zo worden uitgelegd dat tussen het einde van de wachttijd (in het geval van werknemer is dat 3 februari 2015) en de aanvang van de nieuwe dienstbetrekking één dag moet liggen. Omdat werknemer niet op 5 februari 2015 maar op 4 februari 2015 bij betrokkene is begonnen, is volgens appellant niet aan die voorwaarde voldaan. Betrokkene meent dat uit de zinsnede “na die dag” voortvloeit dat het dienstverband na het einde van de wachttijd moet aanvangen. Aan die voorwaarde is voldaan, nu werknemer op 4 februari 2015 bij betrokkene in dienst is getreden.
4.4.
De Raad kan zich verenigen met de door de rechtbank gegeven uitleg van het bovengenoemde onderdeel van artikel 29b van de ZW. Met de zinsnede “na die dag” in het eerste lid, onder b, onderdeel 4, wordt geregeld wanneer de vijfjaarstermijn eindigt waarbinnen het dienstverband moet zijn aangevangen. De dag na het einde van de wachttijd is dan de eerste dag van de vijfjaarstermijn. De door appellant bepleite uitleg vloeit niet (dwingend) voort uit de tekst van de bepaling.
4.5.
Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft de wetgever met de regeling van de no-riskpolis in artikel 29b, eerste lid, van de ZW beoogd om het aantrekkelijk te maken voor werkgevers om een dienstverband aan te gaan met werknemers die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn bevonden per einde wachttijd. Deze doelgroep is immers bewust alsnog onder het bereik van de no-riskpolis gebracht (memorie van antwoord, Kamerstukken I 2005/06, 30034, C, blz. 44). De door appellant bepleite, beperkende, uitleg ligt niet in de lijn van die bedoeling.
4.6.
In de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling zijn voorts geen aanknopingspunten te vinden waaruit kan worden afgeleid dat de wetgever bewust heeft willen kiezen voor de door appellant bepleite ‘tussendag’. De Raad verwijst naar de derde Nota van wijziging (Kamerstukken II 2004/05, 30118, nr. 11, toelichting bij onderdeel 1 en 3, tweede lid) waarin is vermeld: “(...) Tot slot geldt als voorwaarde dat deze persoon binnen vijf jaar na het (…) een dienstbetrekking aangaat met een andere werkgever (…)”. Ook in de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken I 2005/06, 30318, nr. C blz. 2 en 3) en de memorie van antwoord (Kamerstukken I 2005/06, 30034 en 30118, C, blz. 44 en 55) staat dat de no-riskpolis van artikel 29b, eerste lid, van de ZW geldt voor werknemers die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn en daarna binnen vijf jaar een dienstbetrekking aangaan. Hierbij is zelfs uitdrukkelijk overwogen dat er geen belemmering is om de no-riskpolis beschikbaar te stellen aan personen die al voor het einde van de wachttijd een proeftijd hebben doorgemaakt bij de werkgever als het dienstverband met die werkgever na het einde van de wachttijd wordt aangegaan.
4.7.
Uit het voorgaande blijkt dat noch de tekst, noch de strekking, noch de wetsgeschiedenis erop wijzen dat, zoals appellant betoogt, uit artikel 29b, eerste lid, onder b, onderdeel 4, van de ZW volgt dat voor toepassing van de no-riskpolis vereist is dat tussen het einde van de wachttijd en de aanvang van de nieuwe dienstbetrekking een dag moet liggen. Conclusie is dat de rechtbank een juist oordeel heeft gegeven.
4.8.
De verwijzing van appellant naar de uitspraak van de Raad van 16 november 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4358) leidt niet tot een andere conclusie. Die uitspraak ziet op een andere situatie, omdat in die zaak sprake was van een dienstverband dat voor het einde van de wachttijd was aangegaan.
4.9.
Uit wat in 4.2 tot en met 4.8 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Er bestaat aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. De kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 1.024,-. De reiskosten van de vertegenwoordiger van betrokkene worden begroot op € 34,66 (openbaar vervoer, tweede klas).

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en T. Dompeling en W.R. van der Velde als leden, in tegenwoordigheid van C.I. Heijkoop als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2019.
(getekend) M. Greebe

(getekend) C.I. Heijkoop

-

bevestigt de aangevallen uitspraak;

veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.058,66;

bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 501,- wordt geheven.

OS