Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2680

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-08-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 08-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:2680, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/4417 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:2680:DOC
nl

17



Datum uitspraak: 8 augustus 2019

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 mei 2017, 16/8687 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.B.B. Beelaard, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 februari 2019 ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Beelard. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Riet.
overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante heeft het Uwv verzocht de schuld die zij heeft in verband met te veel ontvangen uitkering en opgelegde boetes op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), de Toeslagenwet (TW) en de Werkloosheidswet (WW), voor zover ontstaan na 19 december 2011, de datum waarop appellante is toegelaten tot een schuldsaneringsregeling op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP), kwijt te schelden. Het Uwv heeft dit verzoek bij besluit van 21 maart 2016 afgewezen.
1.2.
Bij besluit van 16 september 2016 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 maart 2016 ongegrond verklaard, omdat appellante niet voldoet aan de voorwaarden voor kwijtschelding. De omstandigheid dat de schuld in de weg staat aan het verkrijgen van een schone lei in het kader van de schuldsaneringsregeling kan volgens het Uwv niet als een dringende reden worden aangemerkt.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat het Uwv terecht heeft gesteld dat geen sprake is van een dringende reden om van geheel of gedeeltelijke terugvordering af te zien. De omstandigheid dat appellante in verband met de op haar van toepassing zijnde WSNP-regeling gevolgen kan ondervinden van een door het Uwv ingestelde terugvordering, levert op zichzelf geen dringende reden op. Appellante geniet immers bij de terugvordering de bescherming van de regels over de beslagvrije voet in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Voorts is niet gebleken dat de terugvordering bij appellante tot onaanvaardbare psychische gevolgen leidt.

3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de financiële en sociale gevolgen van de terugvordering voor haar ernstig en ingrijpend zijn en dat het Uwv daarin aanleiding had moeten zien om tot kwijtschelding over te gaan. Dat appellante, als de schuldsaneringsregeling wordt beëindigd zonder schone lei, bij de invordering de bescherming geniet van de regels over de beslagvrije voet, laat deze gevolgen onverlet. Met name zal sprake zijn van een negatieve invloed op de psychische gezondheid van appellante. Appellante heeft in dat kader verwezen naar twee brieven van de behandelend psychiater van 16 februari 2016 en 26 mei 2016 en naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 december 2016.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleitDe vraag of sprake is van een dringende reden heeft het Uwv voorgelegd aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep die in het rapport van 18 februari 2019 heeft geconcludeerd dat geen sprake is van een onaanvaardbare situatie.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar het in rechtsoverweging 5 van de aangevallen uitspraak opgenomen artikel 77 van de Wet WIA. Daaraan wordt toegevoegd dat artikel 20 van de TW en artikel 36 van de WW (nagenoeg) gelijkluidende bepalingen bevatten over de terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkering.
4.2.
Voorop wordt gesteld dat de socialezekerheidswetten geen mogelijkheid kennen tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van een opgelegde boete. Reeds om die reden komt het verzoek tot kwijtschelding voor zover het betrekking heeft op opgelegde boetes niet voor inwilliging in aanmerking.
4.3.
Wat betreft de kwijtschelding van de terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkering op grond van de Wet WIA, de TW en de WW voldoet appellante niet aan de vereisten, neergelegd in artikel 77, derde lid, in combinatie met het vierde lid, van de Wet WIA en de gelijkluidende vereisten, neergelegd in artikel 20 van de TW en artikel 36 van de WW. Het Uwv was daarom niet bevoegd om van terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkeringen af te zien.
4.4.
Appellante heeft aangevoerd dat het Uwv had moeten afzien van terugvordering wegens de aanwezigheid van dringende redenen, zoals bedoeld in artikel 77, zesde lid, van de WW en artikel 20, vijfde lid, van de TW en artikel 36, zesde lid, van de WW. Dringende redenen als hier bedoeld kunnen op grond van vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 9 september 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BF1891) slechts een rol spelen bij de initiële vaststelling van de omvang van de terugvordering. De bedoelde leden van artikel 77 van de WW, artikel 20 van de TW en artikel 36 van de WW lenen zich niet voor zelfstandige toepassing op een later moment. De gronden die appellante heeft aangevoerd met betrekking tot de eventuele aanwezigheid van dringende redenen treffen dan ook geen doel en worden om die reden verder niet besproken.
4.5.
Uit 4.2 tot en met 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en T. Dompeling en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2019.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) M.A.A. Traousis

KS