Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2677

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-08-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 07-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:2677, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/6743 WAO


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:2677:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 7 augustus 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 september 2017, 16/7961 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[appellant] te [woonplaats] , Marokko (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2019. Appellant is niet verschenen.Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.
overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant, die werkzaam was als medewerker potplantenkwekerij, is op 13 juli 1994 uitgevallen vanwege longklachten. Korte tijd later is hij naar Marokko verhuisd.
1.2.
Bij besluit van 24 maart 2000 is appellant, met ingang van 12 juli 1995, in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken, niet in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Bij besluit van 18 augustus 2000 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 maart 2000 ongegrond verklaard. Het besluit van 18 augustus 2000 staat, gelet op de ongepubliceerde uitspraak van de Raad van 4 april 2003, in rechte vast.
1.3.
Bij brief van 25 december 2003 heeft appellant verzocht om herziening van het besluit van 24 maart 2000. Bij besluit van 28 april 2005 heeft het Uwv het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 24 maart 2000 afgewezen. Ook dit besluit staat, gelet op de uitspraak van de Raad van 18 juni 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BD5463), in rechte vast.Het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 18 juni 2008, is bij uitspraak van 24 september 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8634) afgewezen.
1.4.
Vervolgens heeft appellant meerdere verzoeken tot herziening van het besluit van 24 maart 2000 bij het Uwv ingediend waarin het Uwv, vanwege het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden, geen aanleiding heeft gezien om terug te komen van het besluit van 24 maart 2000.
1.5.
Bij brief van 16 mei 2016 heeft appellant opnieuw verzocht om terug te komen van het besluit van 24 maart 2000. Bij besluit van 26 mei 2016 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen omdat appellant geen nieuwe informatie heeft aangedragen. Bij besluit van 24 november 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 mei 2016 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.
In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij ziek is en dat het Uwv geen juist besluit heeft genomen.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Op het verzoek van 16 mei 2016 heeft het Uwv beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (zie de uitspraak van de Raad van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).
4.2.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
4.3.
Appellant heeft bij zijn verzoek van 16 mei 2016 evident geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld onder 4.2 vermeld. De enkele stelling dat hij destijds in Nederland heeft gewerkt en ziek is geworden waardoor hij niet kan werken, is in dat verband volstrekt onvoldoende. In beroep bij de rechtbank zijn nog wel wat medische stukken ingediend, maar nog los van het feit dat in een geval als dit de nieuwe feiten of omstandigheden uiterlijk in de bezwaarfase moeten worden aangedragen, is daarbij in het geheel niet toegelicht wat het verband is met het WAO-besluit uit 2000 en, voor zover dat verband al aanwezig is, waarom deze gegevens niet eerder konden worden verstrekt. Evenmin is gebleken van enige aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
4.4.
Nu de Wet Amber eerst per 29 december 1995 in werking is getreden, kon een Amber-beoordeling wegens verslechtering van de gezondheidstoestand in deze zaak, waarin het gaat om een weigering met ingang van een eerdere datum, niet aan de orde zijn. Het overwogene onder 4.3 mede in aanmerking genomen, is evenmin sprake van enige uiterlijk in de bezwaarfase naar voren gekomen aanwijzing, niet zijnde een nieuw feit of veranderde omstandigheid als bedoeld onder 4.3, waaruit zou kunnen volgen dat het besluit van 24 maart 2000 onjuist zou kunnen zijn geweest. Dit brengt mee dat ook geen aanleiding bestond tot nader onderzoek naar mogelijke WAO-aanspraken van appellant, uitsluitend voor de toekomst. Appellant was op en na 12 juli 1995 niet meer verzekerd op grond van de WAO.
4.5.
Gelet op 4.3 en 4.4 mocht het Uwv het verzoek van appellant zonder nader onderzoek ter zijde leggen. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2019.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) J.R. Trox

GdJ