Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2675

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-08-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 08-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:2675, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/4274 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:2675:DOC
nl

17



Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 mei 2017, 16/4741 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[betrokkene] (betrokkene)

Datum uitspraak: 8 augustus 2019

PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.A. van Ham, advocaat, een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2019. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van Ham.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Betrokkene is per 22 augustus 2013 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Vanaf 29 juli 2014 ontvangt betrokkene een IVA-uitkering. Op 11 februari 2016 heeft hij het Uwv verzocht om de WIA-uitkering per 10 februari 2015 te verhogen wegens hulpbehoevendheid.
1.2.
Het Uwv heeft bij besluit van 22 maart 2016 de aanvraag van betrokkene afgewezen omdat uit verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebleken dat bij betrokkene geen sprake is van een medische noodzaak tot geregelde oppassing en verzorging. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij beslissing op bezwaar van 1 augustus 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport ten grondslag van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
2.1.
Betrokkene heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ter zitting van 8 maart 2017 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst en het Uwv in de gelegenheid gesteld een nader medisch onderzoek te verrichten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft betrokkene op 21 maart 2017 thuis bezocht en een rapport opgesteld.
2.2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het primaire besluit herroepen en bepaald dat betrokkene per 16 februari 2015 in aanmerking komt voor een verhoging van de WIA-uitkering (met factor 85/75). Hiertoe heeft de rechtbank onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 maart 2017 overwogen dat het Uwv ten onrechte heeft geoordeeld dat betrokkene geen geregelde verzorging nodig heeft bij sommige essentiële dagelijks terugkerende levensverrichtingen omdat de door de verzekeringsarts in zijn rapport voorgestelde oplossingen voor het uitvoeren van deze handelingen wellicht praktisch van aard zijn, maar zozeer buiten het gedragspatroon vallen van betrokkene dat van hem in alle redelijkheid niet verwacht kan worden dat hij daartoe structureel over zal gaan. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat betrokkene voldoet aan de voorwaarde dat hij geregelde oppassing nodig heeft, omdat sprake is van geregelde handreikingen door derden. Betrokkene voldoet naar het oordeel van de rechtbank aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregel verhoging uitkering bij hulpbehoevendheid (Beleidsregel) om in aanmerking te komen voor een verhoging van de uitkering tot 85%. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat betrokkene is aangewezen op hulp bij alle of bijna alle dagelijkse essentiële levensverrichtingen.
3.1.
Het Uwv heeft er in hoger beroep op gewezen dat voor toekenning van een verhoging wegens hulpbehoevendheid sprake moet zijn van geregelde oppassing én geregelde verzorging. Het Uwv heeft het oordeel van de rechtbank bestreden dat hiervan bij betrokkene sprake is. Bij verzorging gaat het niet om huishoudelijke taken of vervoer, maar om essentiële en steeds terugkerende op persoonlijke verzorging betrekking hebbende levensverrichtingen zoals wassen, aankleden en toiletgang. Uit de aanvraag van betrokkene blijkt dat het wat betreft het onderdeel verzorging met name gaat om huishoudelijke taken zoals koken. Voor zover betrokkene stelt dat hij hulp nodig heeft bij het scheren, het knippen van zijn nagels en het kammen van zijn haar zijn dit geen dagelijkse of essentiële verrichtingen. Van geregelde oppassing is geen sprake omdat betrokkene zich in zijn eigen woonomgeving zelfstandig kan redden. Wel krijgt hij geregelde handreikingen door zijn vriendin met bijvoorbeeld het verzorgen van de maaltijden. Dit zijn volgens het Uwv echter geen handreikingen zoals bedoeld in de Beleidsregel.
3.2.
Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Betrokkene stelt hulp nodig te hebben bij de volgende activiteiten: nagels knippen, de was, verplaatsen buitenshuis, instappen in de douche, bereiden van eten en drinken, pillen klaarleggen en tandenborstel klaarleggen. Door zijn ziekte heeft hij ook geregelde handreikingen nodig bij het verzorgen van eten en drinken en kan hij als er zich een noodsituatie voordoet niet adequaat reageren.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
In artikel 53 van de Wet WIA is bepaald dat, indien de verzekerde verkeert in een blijvende of voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid die geregeld oppassing en verzorging nodig maakt, de arbeidsongeschiktheidsuitkering voor de duur van die hulpbehoevendheid wordt verhoogd door vermenigvuldiging met ten hoogste een factor 100/75.
4.2
Voor de uitleg van de in deze bepalingen voorkomende begrippen geregelde oppassing en verzorging hanteert het Uwv de Beleidsregel, laatstelijk gewijzigd op 13 juli 2010 (Stcr. 2010, 12828). Volgens artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregel wordt de uitkering verhoogd tot 85% van het dagloon of vervolgdagloon indien de verzekerde hulp nodig heeft bij sommige essentiële en steeds terugkerende dagelijkse levensverrichtingen zoals wassen, aan- en uitkleden en toiletgang, en geregelde handreikingen van derden noodzakelijk zijn. Huishoudelijke hulp en vervoer buitenshuis kunnen daaronder niet worden begrepen. De Raad heeft al diverse malen geoordeeld – onder andere in de uitspraak van 22 december 2010, ECLI:CRVB:2010:BO9525 – dat dit beleid de rechterlijke toetsing kan doorstaan.
4.3.
Betrokkene is in 2011 als gevolg van diabetesklachten slechtziend geworden waarbij betrokkene aan het rechteroog geen zicht en aan het linkeroog een zicht van 60% heeft. De medische situatie van betrokkene is sedert 2011 stabiel. Bij zijn aanvraag stonden met name de beperkingen die betrokkene ondervond op het gebied van schoonmaken en vervoer buitenshuis op de voorgrond. In de rapporten van de verzekeringsartsen van 15 maart 2016 en 21 juli 2016 hebben de verzekeringsartsen op basis van telefonische informatie van betrokkene geconcludeerd dat hij hulp heeft bij het huishouden en koken en dat hij zich, als alleenstaande, in zijn eigen huis zelfstandig kan redden en buitenshuis op hulp van derden is aangewezen. Het feit dat deze rapporten uitsluitend waren gebaseerd op dossiergegevens en telefoongesprekken met betrokkene is voor de rechtbank aanleiding geweest om een nader medisch onderzoek noodzakelijk te achten. In zijn rapport van 21 maart 2017 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op grond van het dagverhaal van betrokkene geconcludeerd dat betrokkene zich zelfstandig kan redden bij het aan- en uitkleden, douchen en naar het toilet gaan en bij het eten en drinken. Wel heeft betrokkene aangegeven moeite te hebben met de opstap in de douche, en hulp nodig te hebben met het klaarleggen van de tandenborstel, nagels knippen, haren kammen en het dichtknopen van een overhemd. Verder heeft betrokkene geregelde handreikingen nodig bij het verzorgen van maaltijden. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de door betrokkene ervaren feitelijke belemmeringen in zijn thuissituatie door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn in dit rapport correct zijn weergegeven.
4.4.
Anders dan de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij betrokkene geen sprake is van een noodzaak tot geregelde oppassing. Onder geregelde oppassing wordt volgens het door het Uwv gevoerde beleid verstaan dat op medische gronden door de dag heen aanwijzingen van derden nodig zijn en dat betrokkene het daarna weer enige tijd zonder aanwijzingen kan stellen (zie ook de uitspraak van de Raad van 9 juni 2006, ECLI:CRVB:2006:AX8886). In het rapport van de verzekeringsarts staat weliswaar vermeld dat handreikingen nodig waren voor het verzorgen van maaltijden, maar zoals het Uwv terecht heeft aangevoerd, valt dit niet binnen het bereik van de Beleidsregel. In het dossier is geen aanknopingspunt te vinden voor het standpunt van betrokkene dat hij op medische gronden aanwijzingen nodig heeft. De door betrokkene ter zitting geuite zorg dat hij in een noodsituatie niet adequaat kan reageren, leidt niet tot een ander oordeel.
4.5.
Verder blijkt uit de medische stukken evenmin van een medische noodzaak tot geregelde verzorging. De handelingen waarbij betrokkene belemmeringen ervaart, zijn zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, niet van zodanig gewicht dat voldaan wordt aan het criterium dagelijkse en essentiële levensverrichtingen, nog daargelaten of de in het rapport genoemde praktische oplossingen niet van betrokkene verwacht zouden mogen worden.
4.6.
Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen is de Raad van oordeel dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat betrokkene niet voldoet aan de voorwaarden om voor een verhoging van de WIA-uitkering in aanmerking te komen. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had horen te doen zal de Raad het beroep alsnog ongegrond verklaren.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

- vernietigt de aangevallen uitspraak;- verklaart het beroep ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en S. Wijna en T. Dompeling als leden, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2019.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) M.A.A. Traousis

KS