Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2672

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-08-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 07-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:2672, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 16/7550 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:2672:DOC
nl

16


Datum uitspraak: 7 augustus 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van1 november 2016, 15/8070 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.J. Manspeaker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Manspeaker. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 11 juli 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Manspeaker. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant heeft gewerkt als betonafwerker. Met ingang van 9 juli 2013 heeft hij zich ziek gemeld met rugklachten. Daarnaast heeft hij gehoorklachten. Appellant heeft op 11 april 2015 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.2.
Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 5 juni 2015 aan appellant vanaf 7 juli 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend op grond van de Wet WIA. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 48,50%. De einddatum van de loongerelateerde uitkering is vastgesteld op 6 november 2017.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 13 november 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant ingestelde bezwaar ongegrond verklaard. Omdat in bezwaar het maatmaninkomen is gewijzigd als gevolg van aanpassing van de omvang van de maatman, is de mate van arbeidsongeschiktheid in bezwaar vastgesteld op 35,40%.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit geaccepteerd. De rechtbank is er voldoende van overtuigd dat de belastbaarheid van appellant in de aan hem voorgehouden voorbeeldfuncties niet wordt overschreden. Ook het standpunt van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat het maatmaninkomen moet worden gecorrigeerd omdat moet worden uitgegaan van het inkomen in het refertejaar en niet van het jaar daarvoor, is door de rechtbank onderschreven.

3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn medische beperkingen groter zijn dan door de verzekeringsartsen is aangenomen. Verder heeft appellant herhaald dat bij de vaststelling van het maatmaninkomen rekening moet worden gehouden met het feit dat hij in de periode van 2008 tot 2012 structureel overwerk verrichtte. Omdat appellant in het refertejaar de omvang van zijn werkzaamheden heeft moeten aanpassen vanwege medische problematiek, is er sprake van een uitzonderingssituatie.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Het Uwv heeft bij besluit van 9 januari 2019 aan appellant per 20 september 2017 een IVA-uitkering toegekend. Appellant heeft in reactie op dat besluit te kennen gegeven dat de medische grondslag van het bestreden besluit niet langer in geschil is en slechts ter discussie staat of hij wegens medische redenen minder is gaan werken, zodat een eerdere periode als basis voor de beoordeling van zijn aanspraken op een WIA-uitkering moet worden genomen.De primaire arbeidsdeskundige heeft de maatmanomvang op juiste wijze vastgesteld op 46,50 uur per week, echter in bezwaar is de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten onrechte uitgegaan van het aantal uren dat appellant in het jaar voor zijn uitval heeft gewerkt. Hierbij is miskend dat appellant om medische redenen in dat jaar geen overwerk meer verrichtte.
4.2.
Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant een brief van zijn huisarts van 14 februari 2019 aan de Raad gezonden. Hierin heeft de huisarts vermeld dat zij appellant heeft geadviseerd om na de vakantie in juli 2012 te streven naar normale werkuren zonder overwerk omdat het overwerk klachten van vermoeidheid en malaise gaf.
4.3.
Het Uwv heeft in reactie op de brief van de huisarts te kennen gegeven dat voor adviezen die de huisarts stelt te hebben gegeven geen onderbouwing kan worden gevonden in de medische stukken uit 2012. Uit het huisartsjournaal blijkt dat de consulten die appellant in 2012 bij de huisarts had geen betrekking hadden op moeheid of malaise. Evenmin blijkt uit het huisartsjournaal dat de huisarts appellant destijds heeft geadviseerd om geen overwerk meer te verrichten. Appellant kan niet als medische afzakker worden beschouwd.
4.4.
Bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid dient volgens vaste rechtspraak in beginsel als maatman te worden aangemerkt degene die dezelfde arbeid verricht als de verzekerde laatstelijk heeft verricht voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 9 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV8699).Deze hoofdregel lijdt uitzondering als de (omvang van de) laatstelijk verrichte arbeid of het daarmee verdiende loon geen juiste maatstaf (meer) oplevert bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid, bijvoorbeeld omdat sprake is van een zogeheten medische afzakker.
4.5.
Van een medische afzakker is sprake als een betrokkene ten gevolge van ziekte of gebrek (tijdelijk) lager beloond werk gaat doen of om medische redenen de arbeidsurenomvang terugbrengt zonder zich ziek te melden. Als een betrokkene later uitvalt uit dit lager betaalde werk en dan pas een arbeidsongeschiktheidsuitkering aanvraagt, kan in zo’n geval het voorlaatste werk als uitgangspunt worden genomen. Daarbij is van belang dat een betrokkene als gevolg van een objectief medische noodzaak minder uren is gaan werken, bijvoorbeeld op advies van of in overleg met zijn behandelend arts of bedrijfsarts. Het vereiste van een voldoende specifieke medische onderbouwing, alvorens een medische afzakker kan worden aangenomen, is verankerd in vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 28 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2938).
4.6.
De voorhanden medische gegevens uit 2012 bieden geen steun aan het standpunt van appellant dat de wijziging in arbeidsuren in 2012 op medische instigatie tot stand is gekomen. Uit die gegevens blijkt dat appellant in 2012 last had van verschillende aandoeningen, waarvoor hij de huisarts en specialist consulteerde. Medisch objectieve redenen voor werkvermindering blijken niet uit die informatie. Er is geen aanleiding te oordelen dat het Uwv van een onjuist uitgangspunt is uitgegaan bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid.
4.7.
Wat in 4.1 tot en met 4.6 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van W.M. Swinkels als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2019.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) W.M. Swinkels

KS