Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2651

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-08-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 08-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:2651, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/6092 AW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:2651:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 8 augustus 2019

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 18 oktober 2018, 17/833 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.J. Dammingh, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de soortgelijke zaken 18/6088 AW en 18/6104 AW, plaatsgevonden op 27 juni 2019. Namens appellante is mr. N.D. Dane, kantoorgenoot van mr. Dammingh, verschenen. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J. de Wit.

In de gevoegde zaken 18/6088 AW en 18/6104 AW wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 1 december 2015 heeft de korpschef de oorspronkelijke functie van appellante voor de reorganisatie Politiewet 2012 vastgesteld op de functie van Teamchef B, gewaardeerd in salarisschaal 10, de LFNP-functie waarnaar appellante op 1 januari 2012 - vanuit haar korpsfunctie van Tactisch Leidinggevende A1, salarisschaal 11 - is overgegaan. Dit besluit staat in rechte vast.
1.2.
Bij besluit van 10 juni 2016 heeft de korpschef appellante met ingang van 1 juli 2016 aangewezen als herplaatsingskandidaat en haar gelijktijdig met ingang van diezelfde datum herplaatst in de functie van Operationeel Specialist B, gewaardeerd in salarisschaal 10, in de formatie van de eenheid Noord‑Nederland, Staf Politieprofessie, team Politieprofessie, met als plaats van tewerkstelling Groningen.
1.3.
Bij besluit van 18 januari 2017 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar tegen het besluit van 10 juni 2016 ongegrond verklaard. De korpschef heeft zich op het standpunt gesteld dat de plaatsingsregels correct zijn gevolgd. Het aan appellante gedane aanbod van plaatsing in de functie Operationeel Specialist B, gewaardeerd in salarisschaal 10, inclusief tenminste 24 punten voor Onvermijdelijk Verzwarende Werkomstandigheden (OVW) voldoet aan de garantiebepaling van artikel 55ob van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp).
1.4.
In de fase van het beroep bij de rechtbank heeft de korpschef zich vervolgens op het standpunt gesteld dat niet de garantiebepaling van artikel 55ob van het Barp van toepassing is op de situatie van appellante, maar de garantiebepaling van artikel 55oa van het Barp, nu appellante is herplaatst in een passende functie die overeenkomt met het schaalniveau van de LFNP‑functie en aan die functie tenminste 24 OVW‑punten zijn toegekend.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft eerst vastgesteld dat de aanwijzing van appellante als herplaatsingskandidaat niet in geschil is. De rechtbank heeft vervolgens als haar oordeel gegeven dat reeds door de grondslagwijziging het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank heeft echter aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit in stand te laten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de korpschef zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 55oa van het Barp op de plaatsing van appellante van toepassing is en zij hierdoor met inachtneming van de plaatsingsregels geplaatst kon worden in de functie van Operationeel Specialist B (schaal 10). De LFNP-functie conform de Regeling landelijk sociaal statuut (Stcrt. 2011, nr. 8388, zoals nadien gewijzigd, Stcrt. 2014, nr. 4677), hierna: Regeling LSS, vormt het uitgangspunt voor plaatsing in de nieuwe organisatie. Aan de LFNP‑functie van appellante zijn 24 OVW‑punten toegekend, waardoor sprake is van een functie zoals bedoeld in artikel 9a van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) en aanspraak kan worden gemaakt op een uitloopschaal, zijnde de extra periodieken van de naast hogere schaal. Nu sprake is van een functie als bedoeld in artikel 9a van het Bbp en aan appellante, nadat zij is geplaatst op een lagere functie dan haar oude korpsfunctie, binnen drie jaar de functie van Operationeel Specialist B (schaal 10) is aangeboden en deze functie overeenkomt met het schaalniveau van haar LFNP‑functie (schaal 10) inclusief tenminste 24 OVW‑punten, is voldaan aan de garantiebepaling van artikel 55oa van het Barp en is aan appellante een passende functie aangeboden.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 55o, eerste lid, van het Barp is een passende functie elke functie die voor de krachten en bekwaamheden van de herplaatsingskandidaat is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Een passende functie is mogelijk zowel binnen het bereik van het bevoegd gezag als bij een andere werkgever.
4.2.
Ingevolge artikel 55oa, eerste lid, van het Barp wordt de ambtenaar met een functie als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van het Bbp door het bevoegd gezag binnen drie jaar nadat hij als herplaatsingskandidaat is geplaatst op een lagere passende functie twee keer een passende functie aangeboden op het niveau van de functie waarop hij was aangesteld voor aanwijzing als herplaatsingskandidaat, inclusief ten minste 24 OVW‑punten.
4.3.
Op grond van artikel 55ob, eerste lid, van het Barp kan de herplaatsingskandidaat, door de invoering van het LFNP en de reorganisatie Politiewet 2012, als gevolg van deze beide situaties in totaal maximaal twee schalen omlaag gaan.
4.4.
Ingevolge artikel 55ob, tweede lid, van het Barp wordt de ambtenaar die als gevolg van de reorganisatie Politiewet 2012 als herplaatsingskandidaat is geplaatst op een lager functieniveau dan het niveau van de functie waarin de ambtenaar voor invoering LFNP was aangesteld, door het bevoegd gezag twee keer een passende functie aangeboden die passend is op zijn oorspronkelijke functieniveau voor de invoering van het LFNP, tenzij op deze ambtenaar het bepaalde in artikel 55oa van toepassing is.
4.5.
Op grond van artikel 9a, eerste lid, van het Bbp worden aan de ambtenaar die het maximum van de schaal behorende bij een functie met 24 of meer OVW-punten heeft bereikt, met behoud van deze schaal en met inachtneming van het tweede lid, extra periodieken ter hoogte van de in de navolgende salarisschaal opgenomen periodieken toegekend. Op grond van het tweede lid gebeurt het toekennen van de periodieken, bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig artikel 9.
4.6.
In de toelichting op artikel 55oa van het Barp (Stb. 2014, 52) is het volgende opgenomen:
“Een medewerker die ten minste 24 OVW-punten heeft en die vervolgens ten gevolge van een reorganisatie herplaatsingskandidaat wordt, wordt volgens de gewone regels van het LSS geplaatst op een passende functie. Volgens de gewone regels van het LSS mag de medewerker de plaatsing op een passende functie een keer weigeren, bij een tweede weigering kan ontslag volgen (artikel 91, vierde lid). Bij aanvaarding, wordt de medewerker op de passende functie geplaatst. Indien dit een lagere passende functie is, wordt het salaris pas bijgesteld naar het niveau van de functie waarop deze medewerker is geplaatst als de werkgever de medewerker twee maal een aanbod heeft gedaan van een functie op het functieniveau waarop de medewerker was geplaatst vóórdat hij als herplaatsingskandidaat werd aangewezen, inclusief ten minste 24 OVW-punten. Bij een tweede weigering van een dergelijk aanbod wordt het salaris naar beneden bijgesteld.

De verplichting uit dit artikel doet geen afbreuk aan de voorrang van herplaatsingskandidaten bij plaatsing in een passende functie.” […]

En in de toelichting op artikel 55ob van het Barp is onder meer het volgende opgenomen:

“Uit het tweede lid volgt voorts dat ambtenaren die voordat zij in de reorganisatie Politiewet 2012 als herplaatsingskandidaat werden aangewezen een functie hadden met ten minste 24 OVW-punten en in deze reorganisatie op een lagere passende functie zijn geplaatst, vallen onder het regime van artikel 55oa Barp. Dit betekent dat hen een aanbod wordt gedaan op het functieniveau dat zij hadden voordat zij in de reorganisatie Politiewet 2012 als herplaatsingskandidaat werden aangewezen, inclusief ten minste 24 OVW-punten. Voor de invoering van het LFNP bestonden er immers nog geen functies waaraan OVW-punten waren toegekend. Het bepaalde in artikel 55oa is niet van toepassing indien deze herplaatsingskandidaten in deze reorganisatie worden geplaatst op een passende functie van hetzelfde functieniveau als zij hadden voordat zij werden aangewezen als herplaatsingskandidaat, al dan niet met ten minste 24 OVW-punten. In dit geval voorziet artikel 55ob Barp in een vangnet. Is deze ambtenaar als gevolg van de reorganisatie Politiewet 2012 op een lager functieniveau geplaatst dan waarop hij of zij voor invoering van het LFNP was aangesteld, dan geldt een resultaatsverplichting om deze medewerker terug te brengen naar een functie op functieniveau voor LFNP. Dit kan ook een functie zijn zonder ten minste 24 OVW-punten.”

4.7.
Niet in geschil is dat de (her)plaatsing van appellante overeenkomstig de Regeling LSS heeft plaatsgevonden. Partijen verschillen van mening over de uitleg van artikel 55oa van het Barp. Volgens appellante is in haar geval niet de in artikel 55oa van het Barp opgenomen garantie van toepassing, omdat zij op hetzelfde functieniveau is herplaatst als voor de reorganisatie.
4.8.
Voordat appellante in de reorganisatie Politiewet 2012 als herplaatsingskandidaat werd aangewezen had zij de functie van Teamchef B, gewaardeerd in salarisschaal 10. Appellante is vervolgens als herplaatsingskandidaat geplaatst in de functie van Operationeel Specialist B, gewaardeerd in salarisschaal 10. Tussen partijen is niet in geschil dat voor beide functies geldt dat dit een functie is als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van het Bbp waaraan 24 of meer OVW‑punten zijn verbonden. Appellante is aldus als herplaatsingskandidaat in de reorganisatie Politiewet 2012 geplaatst op een passende functie van hetzelfde functieniveau als zij had voordat zij werd aangewezen als herplaatsingskandidaat, al dan niet met ten minste 24 OVW‑punten. De garantie die is opgenomen in artikel 55oa van het Barp is onder deze omstandigheden niet van toepassing, zo blijkt uit zowel de tekst van artikel 55oa van het Barp als de toelichting daarop. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend.
4.9.1.
Appellante heeft aangevoerd dat artikel 55ob van het Barp in haar situatie in een vangnet voorziet. Zij is immers als gevolg van de reorganisatie Politiewet 2012 op een lager functieniveau geplaatst dan waarop zij voor invoering van het LFNP was aangesteld, zodat een resultaatsverplichting geldt om haar terug te brengen naar een functie op functieniveau voor de invoering van het LFNP. De korpschef heeft ter zitting aangevoerd dat deze garantie niet geldt, omdat appellante wel op hetzelfde functieniveau is geplaatst als voor de invoering van het LFNP, nu zij ten gevolge van de 24 OVW‑punten recht heeft op een uitloopschaal, die overeenkomt met salarisschaal 11, die was verbonden aan de oorspronkelijke functie van Tactisch Leidinggevende A1.
4.9.2.
De Raad onderschrijft het standpunt van appellante. De in artikel 55ob, tweede lid, van het Barp neergelegde garantiebepaling grijpt uitdrukkelijk terug op het oorspronkelijke functieniveau van de ambtenaar. Zo is in de nota van toelichting (Stb. 2014, 52, blz. 17) verwoord dat met het opnemen van de zinsnede ‘die passend is op zijn oorspronkelijke functieniveau’ is bedoeld om kenbaar te maken dat het erom gaat dat de functie passend is op het oorspronkelijke functieniveau en het in zoverre dus te onderscheiden is van het begrip ‘passende functie’ zoals dat normaal wordt toegepast. Anders dan namens de korpschef is betoogd, strekt de uit artikel 55ob, tweede lid, van het Barp voortvloeiende verplichting er aldus toe om appellante te plaatsen op een functie met het oorspronkelijke functieniveau, zijnde het niveau van salarisschaal 11 (vergelijk de uitspraak van 16 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1660). Dat appellante als gevolg van haar 24 OVW-punten recht heeft op een uitloopschaal, die materieel overeenkomt met salarisschaal 11, betekent niet dat zij thans op het functieniveau van salarisschaal 11 is geplaatst.
4.10.
Uit 4.1 tot en met 4.9.2 volgt dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden vernietigd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten. Dit betekent dat de door de rechtbank uitgesproken vernietiging van het bestreden besluit in stand blijft.
4.11.
De Raad ziet geen mogelijkheden tot definitieve geschilbeslechting binnen zijn bereik en zal de korpschef daarom opdracht geven om - met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen, waaronder het oordeel dat artikel 55ob, tweede lid, van het Barp op de situatie van appellante van toepassing is - een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Daarbij hecht de Raad eraan op te merken, onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van 16 mei 2019, dat het hierbij gaat om een garantie die ontstaat nadat iemand is geplaatst op een functie met een lagere salarisschaal. Met het oog op een voortvarende beslechting van het geschil zal de Raad voorts met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepalen dat een - eventueel - beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad kan worden ingesteld.
5. Aanleiding bestaat om de korpschef te veroordelen in de kosten van appellante in hoger beroep. De kosten bedragen € 1.024,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand. Omdat de rechtsbijstand in alle drie de onder ‘Procesverloop’ vermelde zaken is verleend door mr. Dammingh of zijn plaatsvervanger, het hier nagenoeg identieke aangevallen uitspraken betreft, waartegen mr. Dammingh nagenoeg identieke hoger beroepschriften heeft ingediend en deze zaken door de Raad gevoegd zijn behandeld, worden de zaken aangemerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht zodat zij voor de bepaling van de hoogte van de te vergoeden kosten als één zaak zijn te beschouwen. De voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten bedragen dus voor appellante 1/3 van € 1.024,-, derhalve € 341,33.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van V.Y. van Almelo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2019.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) V.Y. van Almelo

md

-

vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten;

draagt de korpschef op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 10 juni 2016 en bepaalt dat beroep tegen deze beslissing slechts kan worden ingesteld bij de Raad;

veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 341,33;

bepaalt dat de korpschef aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 253,- vergoedt.