Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2648

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-08-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 08-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:2648, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/5708 AW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:2648:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 8 augustus 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 5 oktober 2018, 17/5151 (aangevallen uitspraak 1) en 17/5541 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.E. Schat hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H.S. de Lint, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Duivenvoorde en drs. A.P. van Andel.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant was tot 31 december 1994 werkzaam bij de gemeente Rotterdam. Bij besluit van 16 december 1994 heeft het college met toepassing van de Wachtgeldverordening 1980 (WV 1980) appellant per 31 december 1994 een wachtgelduitkering toegekend.
1.2.
Bij e-mail van 2 oktober 2015 heeft appellant het college op de hoogte gesteld van het feit dat hij 100% arbeidsongeschikt is voor het werk van chauffeur regiotaxi/zorgvervoer dat hij de afgelopen jaren heeft verricht en dat hij sinds enige maanden een WIA-uitkering ontvangt. Daarbij heeft hij gevraagd welke gevolgen de WIA-uitkering heeft voor de wachtgelduitkering.
1.3.
Bij besluit van 23 februari 2017 heeft het college met toepassing van artikel 2:23 van de Wachtgeld- en Uitkeringsverordening 1996 (WUV 1996) de wachtgelduitkering van appellant per 7 juli 2016 beëindigd en de uitbetaling van de wachtgelduitkering met onmiddellijke ingang gestaakt. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant blijkens het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) van 21 april 2016 per 7 juli 2016 een WGA‑loonaanvullingsuitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer ontvangt waardoor de aanspraak op een wachtgelduitkering is komen te vervallen. Verder heeft het college in dit besluit het voornemen uitgesproken het te veel betaalde wachtgeld van appellant terug te vorderen.
1.4.
Bij besluit van 10 maart 2017 heeft het college over de periode van 7 juli 2016 tot 1 maart 2017 een bedrag van € 14.823,30 aan te veel betaald wachtgeld van appellant teruggevorderd.
1.5.
Bij besluit van 14 juli 2017 heeft het college over de periode van 1 mei 2015 tot 7 juli 2016 een bedrag van € 28.992,76 aan te veel betaald wachtgeld teruggevorderd. Deze terugvordering heeft het college gebaseerd op het op 2 mei 2017 als bijlage bij het bezwaarschrift tegen het besluit van 23 februari 2017 van appellant ontvangen besluit van het Uwv van 18 maart 2015 waaruit blijkt dat appellant al per 1 mei 2015 een loongerelateerde WGA‑uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer ontvangt.
1.6.
Bij besluit van 18 juli 2017 (bestreden besluit 1) heeft het college het tegen het besluit van 23 februari 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.1.
Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover dat ziet op het besluit van 10 maart 2017. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het bezwaar zich niet richtte tegen dit besluit maar enkel tegen het besluit van 23 februari 2017.
2.2.
Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het rechtstreeks beroep tegen het besluit van 14 juli 2017 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het geschil in hoger beroep is beperkt tot de beëindiging van de wachtgelduitkering van appellant per 7 juli 2016, de stopzetting van de uitbetaling van de wachtgelduitkering met onmiddellijke ingang en de in het besluit van 14 juli 2017 neergelegde terugvordering. Ter zitting van de Raad heeft appellant immers erkend dat, zoals de rechtbank in aangevallen uitspraak 1 heeft overwogen, het bezwaar niet (ook) was gericht tegen het terugvorderingsbesluit van 10 maart 2017.
4.2.
Appellant heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat niet de bepalingen van de WUV 1996 maar die van de WV 1980 van toepassing zijn op zijn wachtgelduitkering. Daartoe heeft hij gewezen op artikel 4:1 van de WUV 1996 en op de in artikel 2:1 gegeven invulling van het begrip betrokkene. Dit betoog slaagt niet. In artikel 4:1 van de WUV 1996 is bepaald dat de WV 1980 wordt ingetrokken en dat op een uitkering die is toegekend op grond van de WV 1980 de hoofdstukken 2 en 3 van de WUV 1996 van toepassing zijn, met uitzondering van de bepalingen over de duur en de hoogte van de uitkering. Daarop blijven de bepalingen van de WV 1980 van toepassing. De beëindiging van de wachtgelduitkering en het stoppen van de uitbetaling ervan betreffen echter niet de duur en/of de hoogte van de wachtgelduitkering maar de aanspraak op een wachtgelduitkering. Hierop zijn de bepalingen van de hoofdstukken 2 en 3 van de WUV 1996 dus onverkort van toepassing. De Raad overweegt verder dat artikel 2:1 van de WUV 1996 de verschillen aangeeft tussen de rechthebbenden op grond van de WV 1980 en de WUV 1996. Het gaat daarbij om verschillen op grond van de aard (vast of tijdelijk) en/of de duur van de aanstelling. Dit is slechts van belang voor nieuwe, op de WUV 1996 te baseren aanspraken en heeft geen betekenis voor lopende zaken waarbij, zoals in het geval van appellant, op grond van de WV 1980 een uitkering is toegekend die op grond van de WUV 1996 wordt beëindigd.
4.3.
Appellant heeft verder een beroep gedaan op de zogeheten zes maandenjurisprudentie van de Raad. Hij heeft gesteld dat deze aan terugvordering in de weg staat. Ook dit betoog slaagt niet. Op grond van de zes maandenjurisprudentie (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8752) wordt de bevoegdheid van een bestuursorgaan om onverschuldigd betaalde uitkeringen terug te vorderen in de tijd beperkt indien het niet adequaat reageert op signalen van een (gewezen) ambtenaar waaruit kan worden afgeleid dat te veel of ten onrechte uitkering wordt verstrekt. Na een dergelijk signaal heeft het bestuursorgaan nog maximaal zes maanden om tot actie over te gaan. Bij uitblijven van tijdige actie is het in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel om over de periode gelegen na die zes maanden nog gebruik te maken van de bevoegdheid tot terugvordering. De Raad overweegt allereerst dat het beroep op de zes maandenjurisprudentie geen gevolgen kan hebben voor de in het besluit van 10 maart 2017 neergelegde terugvordering over de periode van 7 juli 2016 tot 1 maart 2017 alleen al omdat appellant tegen dit besluit geen bezwaar heeft gemaakt. Verder overweegt de Raad het volgende. Uit de op 29 en 31 maart 2016 tussen appellant en een medewerker van de gemeente gewisselde e‑mails blijkt dat appellant al eerder - en dus binnen zes maanden na het eerste signaal van appellant van 2 oktober 2015 - is verzocht om het voor de vaststelling van het recht op een wachtgelduitkering benodigde besluit tot toekenning van de WIA‑uitkering aan de gemeente toe te sturen. Dat het college vervolgens pas bij besluit van 14 juli 2017 tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde wachtgelduitkering over de periode van 1 mei 2015 tot 7 juli 2016 heeft kunnen overgaan, komt doordat het college eerst door de toezending op 2 mei 2017 - als bijlage bij de gronden van het bezwaar tegen het besluit van 23 februari 2017 - kennis heeft kunnen nemen van het besluit van het Uwv van 18 maart 2015 tot toekenning per 1 mei 2015 van een loongerelateerde WGA‑uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer en heeft kunnen vaststellen dat de wachtgelduitkering over de periode vanaf 1 mei 2015 tot 7 juli 2016 onverschuldigd is betaald.
4.4.
Uit 4.2 en 4.3 volgt dat de hoger beroepen niet slagen en dat de aangevallen uitspraken - aangevallen uitspraak 1 voor zover aangevochten - moeten worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

- bevestigt aangevallen uitspraak 1 voor zover aangevochten;- bevestigt aangevallen uitspraak 2.
De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2019.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) F. Demiroğlu

md