Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2647

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-08-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 08-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:2647, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/4567 AW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:2647:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 8 augustus 2019

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 juli 2018, 17/5883 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het College van Bestuur van de Technische Universiteit Delft (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W. Hovingh, advocaat, hoger beroep ingesteld. Mr. S. van Andel, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld en heeft een aanvullend hoger beroepschrift ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

Appellant heeft zijn standpunt nader toegelicht en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Andel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.L.E. Nepveu-Kalberg, prof. dr. ir. L.J. van Vliet, prof. dr. ir. N.T. Kreutzer en R.A.C. Hoogendoorn.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant was sinds 1 januari 2006 in dienst van de Technische Universiteit Delft, laatstelijk in de functie van [naam functie] aan de Faculteit [naam faculteit].
1.2.
Per 18 augustus 2015 heeft appellant zich ziek gemeld vanwege klachten in verband met het restless legs syndroom.
1.3.
In januari 2016 is gestart met re-integratie en vanaf februari 2016 hebben appellant en zijn leidinggevende gesproken over problemen in hun arbeidsrelatie. In april 2016 is in dat verband een mediationtraject gestart.
1.4.
Bij brief van 27 september 2016 heeft het college appellant te kennen gegeven dat zijn taalgebruik en de wijze waarop hij een aantal medewerkers heeft bejegend, ongepast is. Hierbij is vermeld dat de brief als een informele waarschuwing moet worden beschouwd.
1.5.
Op 10 oktober 2016 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) op verzoek van appellant een deskundigenoordeel uitgebracht. Hierin is vermeld dat uit medisch onderzoek is gebleken dat geen sprake meer is van medische beperkingen. De door het college verrichte re-integratie-inspanningen zijn als onvoldoende aangemerkt, omdat appellant nog niet hersteld is gemeld en zijn werkzaamheden nog niet volledig heeft hervat.
1.6.
Bij e-mailbericht van 13 oktober 2016 heeft appellant meegedeeld dat hij dezelfde symptomen voelt als in 2015, vlak voor zijn instorting, en heeft hij zich preventief ziek gemeld. Op 17 oktober 2016 heeft de bedrijfsarts na telefonisch contact met appellant gerapporteerd dat hij, mede gezien het deskundigenoordeel, appellant voor 90% arbeidsgeschikt acht. Hij is pas 100% arbeidsgeschikt als hij zijn eigen functie volledig en in harmonie uitvoert. Het is volgens de bedrijfsarts nog ongewenst en gecontra-indiceerd dat appellant re-integreert in zijn volledige functie, omdat hierbij sprake is van arbeidsgerelateerde factoren die de belastbaarheid in negatieve zin beïnvloeden. Appellant is wel arbeidsgeschikt voor passend werk met een andere leidinggevende.

1.7.
Bij brief van 28 oktober 2016 heeft het college appellant bericht dat de ziekmelding van 13 oktober 2016 niet is geaccepteerd en dat hij op 1 november 2016 weer op het werk wordt verwacht.
1.8.
Bij e-mailbericht van 31 oktober 2016 heeft appellant zich opnieuw ziekgemeld. Hierbij heeft hij vermeld dat hij totaal is ingestort en dat de ziekmelding niet preventief meer is. Op 1 november 2016 is appellant niet verschenen op het spreekuur van de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft appellant bij advies van 1 november 2016, aangevuld op 8 november 2016, per 1 november 2016 100% arbeidsgeschikt geacht en de verzuimbegeleiding als afgerond beschouwd.
1.9.
Bij brief van 15 november 2016 heeft het college aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt hem te ontslaan op grond van artikel 8.4, eerste lid, van de CAO Nederlandse Universiteiten (CAO NU) wegens een verstoorde arbeidsverhouding dan wel een impasse. Hierbij is onder meer vermeld dat het college er, gezien het deskundigenoordeel van het Uwv en de adviezen van de bedrijfsarts, van uitgaat dat geen sprake is van ziekte en dat door het gedrag en de houding van appellant een vruchtbare samenwerking niet meer mogelijk is.
1.10.
Nadat appellant hierop zijn zienswijze had gegeven, heeft het college het Integraal Centrum Arbeidsrelevante Aandoeningen (ICARA) opdracht gegeven een medisch expertiseonderzoek te verrichten. Op 9 januari 2017 heeft ICARA een rapport uitgebracht. Hierin is vermeld dat appellant zich niet wilde conformeren aan de werkwijze van het ICARA wat betreft inzagerecht, correctierecht en blokkeringsrecht en dat het daarom niet mogelijk was om een adequaat medisch expertiseonderzoek te verrichten.
1.11.
Bij besluit van 14 februari 2017 heeft het college appellant per 1 december 2017 ontslag verleend op grond van artikel 8.4, eerste lid, van de CAO NU wegens een verstoorde arbeidsverhouding dan wel een impasse. Het bezwaar daartegen is bij besluit van 12 juli 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat sprake is van een impasse, die in de periode voorafgaand aan het ontslag alleen maar is vergroot. Het college heeft geprobeerd om de verstoorde verhouding te herstellen, maar appellant heeft hier maar ten dele aan willen meewerken en deze poging is daardoor mislukt. Verder is geen sprake van een ontslagverbod op grond van artikel 8.7, eerste lid, van de CAO NU (ontslag tijdens ziekte), zoals appellant heeft aangevoerd. De klachten die appellant ervaart als gevolg van het restless legs syndroom zijn erkend en er is rekening mee gehouden doordat de functie van appellant is aangepast. Op basis van adviezen van de bedrijfsarts en een deskundigenoordeel van het Uwv moet worden vastgesteld dat appellant ten tijde van de aanzegging van het ontslag 100% arbeidsgeschikt was. Appellant heeft geen objectieve medische gegevens ingebracht waaruit een andere conclusie zou kunnen volgen. Het college heeft een onafhankelijke partij ingeschakeld, het ICARA, om psychologisch onderzoek te laten verrichten. Hieraan heeft appellant niet volledig meegewerkt, zodat een onafhankelijke medische expertise niet mogelijk was.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In artikel 8.7, eerste lid, aanhef en onder a1, van de CAO NU is bepaald dat het de werkgever verboden is om het dienstverband voor onbepaalde tijd op te zeggen gedurende de tijd dat de werknemer ongeschikt is tot het verrichten van zijn werkzaamheden wegens ziekten of gebreken, tenzij de ongeschiktheid is aangevangen nadat de werknemer schriftelijk in kennis is gesteld van het voornemen hem ontslag te verlenen, dan wel er sprake is van een situatie genoemd in artikel 8.8.
4.2.
Appellant heeft het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding niet aangevochten. Het geschil spitst zich toe op de vraag of sprake was van een ontslagverbod wegens ziekte op grond van artikel 8.7, eerste lid, aanhef en onder a1, van de CAO NU.
4.3.1.
Voor de vraag of sprake is van een dergelijk ontslagverbod, zijn de adviezen van de bedrijfsarts van 1 november 2016 en 8 november 2016 doorslaggevend. Het betreft hier namelijk de laatst gegeven adviezen van de bedrijfsarts vóór het ontslagvoornemen op 15 november 2016. De bedrijfsarts heeft appellant in deze adviezen 100% arbeidsgeschikt verklaard per 1 november 2016, nadat appellant op die dag niet verscheen op het spreekuur van de bedrijfsarts. Hierbij zij nog opgemerkt dat uit een ter zitting bij de rechtbank overgelegd e-mailbericht van de bedrijfsarts van 12 juni 2017 naar voren komt dat hij begin november 2016 beschikte over alle medische informatie van de behandelaars.
4.3.2.
Appellant heeft aangevoerd dat het college ten onrechte voorbij is gegaan aan het advies van de bedrijfsarts van 17 oktober 2016, waarin is opgenomen dat hij, appellant, 10% arbeidsongeschikt was. Dit betoog slaagt niet. Met de adviezen van de bedrijfsarts van 1 november 2016 en 8 november 2016, is het eerdere advies van de bedrijfsarts van 17 oktober 2016 achterhaald. Appellant heeft vervolgens geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een deskundigenonderzoek bij het Uwv aan te vragen.
4.3.3.
Het onderzoek door ICARA heeft, blijkens het rapport van 9 januari 2017, geen bruikbare informatie opgeleverd. Appellant heeft bezwaren geuit tegen de werkwijze van ICARA, waardoor ICARA geen advies heeft kunnen geven over de arbeidsgeschiktheid van appellant. Anders dan appellant heeft aangevoerd, komen de gevolgen van deze opstelling voor rekening van appellant.
4.3.4.
De gegevens die appellant zelf in het geding heeft gebracht doen evenmin af aan de conclusie van de bedrijfsarts van 1 november 2016 en 8 november 2016. Deze gegevens zien namelijk niet op de medische situatie van appellant op 15 november 2016.
4.4.
Uit 4.3 volgt dat geen sprake is van een ontslagverbod wegens ziekte. Het hoger beroep slaagt dan ook niet. De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van V.Y. van Almelo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2019.
(getekend) C.H. Bangma

(getekend) V.Y. van Almelo

md