Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2646

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-08-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 08-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:2646, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/3820 AW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:2646:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 8 augustus 2019

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 mei 2018, 17/4349 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Atceken-Ata, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Atceken-Ata. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Duivenvoorde, ing. R.E. Ensing en S. Slappendal.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant was sinds 2008 in dienst bij de gemeente Rotterdam, laatstelijk in de functie van [naam functie] bij het cluster [naam cluster] (salarisschaal 12).
1.2.
In het kader van de reorganisatie van de [naam cluster] heeft het college appellant bij besluit van 15 september 2014 per 1 oktober 2014 de status van herplaatsingskandidaat toegekend. Daarbij is vermeld dat de begeleiding die aan appellant zal worden geboden bij het vinden van een nieuwe functie maximaal twee jaar zal duren, gelet op het bepaalde in het Sociaal Statuut Rotterdam 2013 (SSR 2013). Als appellant na die twee jaar geen andere functie heeft gevonden, binnen of buiten de gemeentelijke organisatie, zal worden bezien of het dienstverband wordt voortgezet. Dit besluit is, na bezwaar, gehandhaafd bij besluit van 12 juni 2015. Bij uitspraak van 4 september 2015 heeft de rechtbank Rotterdam het beroep van appellant tegen het besluit van 12 juni 2015 niet-ontvankelijk verklaard. Het verzet tegen deze uitspraak is door de rechtbank Rotterdam bij uitspraak van 1 maart 2016 ongegrond verklaard. Daarmee staat het besluit van 15 september 2014 in rechte vast.
1.3.
Op 28 januari 2015 is tussen appellant en het college een zogeheten Van werk naar werk (VWNW)contract (het contract) vastgesteld.
1.4.
Appellant heeft het college bij brief van 26 mei 2016 verzocht om terug te komen van het besluit van 15 september 2014. Bij besluit van 27 juli 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 januari 2017, heeft het college dit verzoek afgewezen. Bij uitspraak van 29 september 2017 heeft de rechtbank Rotterdam het beroep tegen het besluit van 27 januari 2017 ongegrond verklaard. Deze uitspraak heeft de Raad bevestigd bij uitspraak van 29 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3811.
1.5.
Op 8 juli 2016 heeft de betrokken loopbaanadviseur een rapport uitgebracht. Hierin is onder meer vermeld dat er geen toezegging is van een werkgever tot plaatsing en dat er ook geen aantoonbaar vooruitzicht is op het vinden van passend werk. Als advies is vermeld om tot reorganisatieontslag over te gaan. Bij brief van 2 september 2016 is aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt hem per 1 oktober 2016 reorganisatieontslag te verlenen. Nadat appellant hierop zijn zienswijze had gegeven, heeft het college appellant bij besluit van 27 oktober 2016 reorganisatieontslag verleend per 1 november 2016 op grond van artikel 89, eerste lid, van het Ambtenarenreglement (AR). Het bezwaar daartegen is bij besluit van 8 juni 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan is onder meer ten grondslag gelegd dat zowel het college als appellant zich voldoende heeft ingespannen een passende functie te vinden en dat niet is gebleken dat voortzetting van het VWNW‑traject de kans op een passende functie aantoonbaar vergroot. In de door appellant genoemde ziekte en zware privéomstandigheden, waarvan vanaf januari 2016 sprake was, heeft het college geen aanleiding gezien voor toepassing van de hardheidsclausule.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1.
Op grond van artikel 89, eerste lid, van het AR kan aan de ambtenaar ontslag worden verleend wegens opheffing van zijn betrekking of wegens verandering in de inrichting van het cluster of van het onderdeel daarvan, waarbij hij werkzaam is, dan wel wegens verminderde behoefte aan arbeidskrachten.
4.1.2.
Op grond van artikel 21, tweede lid, van de Verordening van werk naar werk aanpak en voorzieningen bij werkloosheid (de Verordening) wordt de ambtenaar ontslag verleend op grond van artikel 89 van het AR, indien het VWNW-traject na verloop van 24 maanden niet wordt voortgezet.
4.1.3.
Op grond van artikel 22, eerste lid, van de Verordening kan het VWNW-traject worden verlengd, indien er zekerheid is, in de vorm van een schriftelijke toezegging van een werkgever, dat binnen een half jaar een functie voor de ambtenaar kan worden gevonden of indien voortzetting van het VWNW-traject de kans op het vinden van een passende of geschikte functie aantoonbaar vergroot. Deze verlenging beslaat een redelijke en nader gespecificeerde periode en kan niet meer dan één keer worden verleend.
4.1.4.
Op grond van artikel 23, eerste lid, van de Verordening maakt de partij die van mening is dat de andere partij zich niet houdt aan de afspraken zoals vastgelegd in het VWNW-contract dit kenbaar in een gesprek. In het tweede en derde lid is bepaald dat als een partij na een dergelijk gesprek in gebreke is gebleven, de andere partij dat kan melden en kan eisen dat het traject met een redelijke termijn wordt verlengd, waarbij de termijn van niet-nakoming als richtlijn geldt. Op grond van artikel 23, vijfde lid, van de Verordening kan een partij bij de overeenkomst een geschil over de uitvoering van het contract voorleggen aan de paritaire commissie. Op grond van artikel 24, derde lid, van de Verordening brengt deze commissie een bindend advies uit.
4.1.5.
In artikel 7.1, onderdeel d, van het SSR 2013 is onder meer bepaald dat indien de VWNW‑kandidaat na 21 maanden na het moment van aanwijzing als herplaatsingskandidaat niet is geplaatst in een andere functie binnen of buiten de organisatie, door een gecertificeerd loopbaanadviseur een advies wordt uitgebracht aan het college en de medewerker over het vervolgtraject. Dit advies kan inhouden om op grond van artikel 89 van het AR ontslag te verlenen dan wel om de VWNW‑termijn te verlengen.
4.1.6.
Op grond van artikel 7.2 van het SSR 2013 spant het college zich maximaal in om met behulp van de gemeentelijke organisatie en door de gemeente ingehuurde derden herplaatsingskandidaten te faciliteren bij het zoeken naar een andere passende of geschikte functie. Daarbij wordt ook uitdrukkelijk gezocht naar een functie buiten de gemeente Rotterdam.
4.1.7.
Op grond van artikel 16 van het SSR 2013 kan het college, in de situatie dat strikte toepassing van de bepalingen van het SSR 2013 voor de individuele medewerker leidt tot apert onredelijke of onbillijke gevolgen, voor de medewerker afwijken van de bepalingen uit het SSR 2013.
4.1.8.
In P&O Circulaire 2013/2 van het college van 8 februari 2013 is onder meer vermeld dat herplaatsingskandidaten een voorrangspositie hebben bij sollicitaties. Dit houdt in dat bij ten minste 80% geschiktheid van een herplaatsingskandidaat voor een vacante functie, kan worden overgegaan tot plaatsing. Bij meerdere geselecteerde herplaatsingskandidaten voor een bepaalde functie, wordt tussen hen een keuze gemaakt. Indien geen geschikte herplaatsingskandidaat kan worden geselecteerd, wordt de vacature opengesteld voor alle interne kandidaten van de gemeente Rotterdam. Indien in dat geval ook geen geschikte interne kandidaat kan worden geselecteerd, wordt overgegaan tot externe werving.
4.2.1.
Appellant heeft in hoger beroep in de eerste plaats naar voren gebracht dat het college en de rechtbank ten onrechte hebben aangenomen dat niet is gebleken dat voortzetting van het VWNW-traject de kans op een passende functie aantoonbaar zou hebben vergroot. Appellant is in mei 2016 geplaatst in een tijdelijke functie, zodat er toen vooruitzichten waren op herplaatsing. Appellant moest nadien stoppen met deze functie vanwege gezondheidsklachten. Weliswaar is ook nu nog sprake van medische beperkingen en ontvangt hij inmiddels een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen op basis van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, maar de termijn van het VWNW-traject kan voor de duur van de ziekte worden opgeschort.
4.2.2.
Daarover wordt overwogen dat in het advies van de loopbaanadviseur van 8 juli 2016 is vermeld dat appellant op basis van zijn leeftijd, opleiding en ervaring voldoende mogelijkheden heeft op de arbeidsmarkt, maar dat er anderzijds ook diverse belemmerende factoren bestaan. Naast gezondheidsklachten en zware privéomstandigheden die verband houden met het overlijden van de ouders van appellant, heeft appellant moeite om zich goed te presenteren. Hiervoor is coaching aangeboden. Verder heeft appellant zich gedurende het traject met name gericht op interne vacatures, terwijl solliciteren op de externe arbeidsmarkt de kans op een passende functie zeker zou vergroten. Het is niet in geschil dat geen sprake was van zekerheid in de vorm van een schriftelijke toezegging van een werkgever dat binnen een half jaar een functie voor appellant kon worden gevonden. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat evenmin kan worden geconcludeerd dat voortzetting van het VWNW-traject de kans op het vinden van een passende of geschikte functie aantoonbaar zou hebben vergroot. Gelet op de belemmerende factoren waren de vooruitzichten op een passende of geschikte functie te weinig concreet om een verlenging op deze grondslag te kunnen rechtvaardigen.
4.3.1.
Verder heeft appellant naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college voldoende herplaatsingsinspanningen heeft verricht. Meerdere sollicitaties zijn afgewezen, terwijl hij daarbij op grond van het toepasselijke beleid een voorrangspositie had. Onder meer zijn externen als uitzendkracht aangenomen voor functies waarop appellant als herplaatsingskandidaat had kunnen worden geplaatst. Een ex-collega van appellant die anoniem wil blijven, heeft dit verklaard. Verder blijkt volgens appellant uit niets dat, zoals in het bestreden besluit is vermeld, het college tegen het einde van het traject een ultieme poging heeft gedaan hem te herplaatsen.
4.3.2.
Gedurende het VWNW-traject heeft appellant begeleiding gehad van het Concern Mobiliteitscentrum. In dat verband heeft hij diverse cursussen gevolgd. Daarnaast heeft vanaf de tweede helft van 2015 een extern begeleidingstraject door USG Restart plaatsgevonden. Appellant heeft diverse sollicitaties verricht, die niet hebben geleid tot een definitieve plaatsing. In mei 2016 is appellant geplaatst in de tijdelijke functie van P&C-medewerker. Vanwege medische klachten heeft appellant de desbetreffende werkzaamheden moeten staken. Na het onder 1.5 vermelde advies van de loopbaanadviseur van 8 juli 2016 is in augustus 2016 een directie binnen de gemeente benaderd met de vraag of er herplaatsingsmogelijkheden waren. Die waren niet voorhanden. Met de rechtbank, en anders dan appellant, is de Raad van oordeel dat niet kan worden geconcludeerd dat het college zijn verplichtingen op grond van het VWNW-contract niet is nagekomen. Nog daargelaten dat appellant gedurende het VWNW-traject niet de onder 4.1.4 vermelde procedure heeft gevolgd dan wel anderszins is opgekomen tegen de desbetreffende afwijzingen van sollicitaties, heeft hij zijn stellingen op dit punt niet met concrete gegevens onderbouwd. Ook voor het overige kan niet worden gezegd dat het college dusdanig in gebreke is gebleven dat het VWNW-traject op die grond verlengd had moeten worden.
4.4.
Tot slot heeft appellant naar voren gebracht dat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule. Daarbij heeft hij erop gewezen dat gedurende het VWNW-traject zijn ouders zijn overleden, wat voor hem zeer belastend is geweest. Daarnaast heeft hij vanwege ziekte het traject niet optimaal kunnen benutten. De hardheidsclausule geldt alleen in onvoorziene situaties. De door appellant genoemde persoonlijke omstandigheden zijn onvoldoende geacht. Daarbij is meegewogen dat aan het eind van het VWNW-traject, gelet op de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant, geen concreet perspectief bestond op een passende of geschikte functie. Alles afwegende kan niet worden geconcludeerd dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van toepassing van de hardheidsclausule.
4.5.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van V.Y. van Almelo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2019.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) V.Y. van Almelo

md