Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2637

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-08-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 07-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:2637, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/1635 ZW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:2637:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 7 augustus 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 februari 2018, 17/5196 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft B. Poolen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben schriftelijk te kennen gegeven geen gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord.

Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 22 februari 2017 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat ten onrechte bedragen aan uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) aan haar zijn overgemaakt over de periode van 16 mei 2016 tot en met 31 januari 2017 en dat deze worden teruggevorderd tot een bedrag van € 12.706,01 bruto. Tevens is vermeld dat de bezwaartermijn tot en met 5 april 2017 loopt. Appellante heeft op 6 april 2017 digitaal bezwaar gemaakt tegen het terugvorderingsbesluit. Hierbij heeft zij vermeld dat het bezwaar te laat is ingediend in verband met het wachten op medische documentatie, waarmee aangetoond kan worden dat appellante ziek was. Het Uwv heeft appellante bij brief van 13 april 2017 in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 11 mei 2017 de reden van de late indiening van het bezwaar toe te lichten. Hierop heeft appellante niet gereageerd. Bij beslissing op bezwaar van 12 juni 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat het wachten op opgevraagde documentatie geen verschoonbare reden is voor de late indiening. Appellante had pro forma bezwaar kunnen indienen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat vaststaat dat het bezwaarschrift van appellante tegen het besluit van 22 februari 2017 te laat is ingediend. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv bij het bestreden besluit deze termijnoverschrijding niet als verschoonbaar in de zin van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft kunnen aanmerken, omdat het de eigen verantwoordelijkheid is van de betrokkene om tijdig (zo nodig pro forma) bezwaar te (laten) maken, waarbij betrokkene zo nodig op een later moment de bezwaargronden kan (laten) aanvullen.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen betekenis heeft gehecht aan de verklaring van appellante dat zij het besluit van 9 mei 2016 tot hersteldverklaring met ingang van 16 mei 2016 in het kader van de ZW niet heeft ontvangen van de verzekeringsarts en dat zij dit besluit pas bij het verweerschrift van het Uwv voor het eerst onder ogen heeft gekregen. Hierbij heeft zij erop gewezen dat de ZW-uitkering is doorbetaald en in de bijgevoegde “Werkmap” ook niets terug te vinden is van de beëindiging van de uitkering per 16 mei 2016. Ook heeft zij aangevoerd dat het Uwv, ondanks de toezegging ter zitting van de rechtbank, tot nog toe geen enkele poging heeft gedaan om haar enigszins tegemoet te komen.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit en aangevoerd dat de omstandigheid van het al dan niet hebben ontvangen van het besluit van 9 mei 2016 niet relevant is in de onderhavige procedure, die uitsluitend handelt over de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen het besluit van 22 februari 2017.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn is ingediend. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat het wachten op de opgevraagde documentatie geen omstandigheid is die leidt tot verschoonbaarheid van de overschrijding van de termijn voor indiening van het bezwaar. Bij het bestreden besluit is het bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het argument van appellante dat zij het eerdere besluit van 9 mei 2016 niet heeft ontvangen, wat hiervan ook zij, doet hieraan niet af. Deze procedure gaat alleen over het besluit van 22 februari 2017 en niet over het besluit van 9 mei 2016.
4.2.
Uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank, noch uit de overweging ten overvloede van de rechtbank (overweging 7), valt op te maken dat het Uwv heeft toegezegd om de vordering gedeeltelijk kwijt te schelden. Er wordt volstaan met verwijzing naar het verweerschrift van het Uwv waaruit blijkt dat appellante voorlopig niet hoeft te betalen omdat er geen aflossingscapaciteit bestaat. Met de brief van het Uwv van 15 februari 2018 is appellante geïnformeerd dat het Uwv geen mogelijkheid ziet om een deel van de vordering uit moreel oogpunt kwijt te schelden.
4.3.
Gelet op overweging 4.1 slaagt het hoger beroep niet.
4.4.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2019.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) D.S. Barthel

OS