Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2636

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-08-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 07-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:2636, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/5477 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:2636:DOC
nl

17

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Overijssel van 28 juni 2017, 16/1132 (aangevallen uitspraak 1) en van 30 november 2018, 18/242 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 7 augustus 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G. Yousef, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1 (17/5477 WIA).

Namens appellant heeft mr. J. Voorberg hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 2 (18/6490 WIA).

Het Uwv heeft in beide hoger beroepen een verweerschrift ingediend.

In zaak 17/5477 WIA hebben beide partijen nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Yousef en mr. A. van den Os, kantoorgenoot van mr. Voorberg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.K. Affia.


overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant heeft gewerkt als montagemedewerker voor 38 uur per week. Op 13 augustus 2007 is hij uitgevallen voor zijn werk. Een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 10 augustus 2009 is afgewezen, omdat appellant voor het einde van de wachttijd weer hersteld was.
1.2.
Op 10 april 2012 heeft appellant zich ziek gemeld vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet. Bij besluit van 20 juni 2014 heeft het Uwv hem een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend op grond van de Wet WIA over de periode van 8 april 2014 tot 29 december 2014, waarbij de arbeidsongeschiktheidsklasse is vastgesteld op 35 tot 80%. Aan dit besluit liggen een rapport van een verzekeringsarts van 12 mei 2014, een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 mei 2014 en een arbeidskundig rapport ten grondslag. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij beslissing op bezwaar van 25 november 2014.
1.3.
Appellant heeft zich met ingang van 10 november 2014 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Het Uwv heeft bij besluit van 27 maart 2015 vastgesteld dat geen sprake is van een toename van de medische beperkingen en de WGA-uitkering ongewijzigd vastgesteld, op basis van de FML van 12 mei 2014. Bij beslissing op bezwaar van 8 juli 2015 heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 10 november 2014 vastgesteld op 73,11%. Hieraan lag het standpunt van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag dat appellant in staat wordt geacht om de geselecteerde functies van productiemedewerker industrie, wikkelaar en medewerker tuinbouw uit te oefenen.
1.4.
Appellant heeft tegen de besluiten tot toekenning van de WGA-uitkering met ingang van 8 april 2014 en de voortzetting van de WGA-uitkering met ingang van 10 november 2014 procedures gevoerd tot aan de Raad, omdat hij van mening was dat hij volledig arbeidsongeschikt was. Bij uitspraak van 18 oktober 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:3840) heeft de Raad de besluiten van 25 november 2014 en 8 juli 2015 in stand gelaten.

1.5.
In aansluiting op de loongerelateerde WGA-uitkering, is appellant met ingang van 29 december 2014 een WGA-vervolguitkering toegekend op basis van de arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80%. Appellant heeft zich per 1 september 2015 opnieuw toegenomen arbeidsongeschikt gemeld wegens toename van de (pijn)klachten, met name aan zijn linkerknie. Bij besluit van 12 november 2015 heeft het Uwv, onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts van 30 oktober 2015, vastgesteld dat de medische situatie van appellant ongewijzigd is en de hoogte van de WGA-vervolguitkering ongewijzigd vastgesteld op basis van de arbeidsongeschiktheidsklasse 65 tot 80%. Bij beslissing op bezwaar van 4 maart 2016 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1.6.
Appellant heeft op 2 maart 2017 bij het Uwv gemeld dat met ingang van 10 december 2016 opnieuw sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid, wegens onder meer oorklachten en een val van de trap. Bij besluit van 22 juni 2017 heeft het Uwv vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid niet is gewijzigd en dat de hoogte van de WGA-vervolguitkering daarom ook niet wijzigt. De mate van arbeidsongeschiktheid is, op basis van rapporten van de verzekeringsarts van 4 april en 3 mei 2017, de door hem opgestelde FML van 15 mei 2017 (die identiek is aan de FML van 12 mei 2014) en het rapport van de arbeidsdeskundige van 20 juni 2017, vastgesteld op 76,03% en de resterende verdiencapaciteit op € 592,99 per maand. Bij beslissing op bezwaar van 20 december 2017 (bestreden besluit 2) is het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2.1.
Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het door appellant tegen bestreden besluit 1 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat sprake is geweest van zorgvuldig medisch onderzoek door de verzekeringsartsen. Verder heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor twijfel aan het standpunt van de verzekeringsartsen, dat de FML van 12 mei 2014 ongewijzigd van toepassing is. De rechtbank heeft reden gezien tot twijfel aan de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er geen medische argumenten zijn om meer beperkingen aan te nemen wegens de knieoperatie op 7 oktober 2015, de cardiale klachten, de psychische klachten, de darmklachten, de (aspecifieke) rugklachten, de gevolgen van de ziekte FMF (familiaire mediterrane koorts) en de bijkomende urogenitale klachten. Appellant heeft geen medische gegevens ingediend waaruit blijkt dat de toestand van zijn knie na de operatie is verergerd.
2.2.
Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat sprake is geweest van zorgvuldig medisch onderzoek door de verzekeringsartsen. Ook is overtuigend gemotiveerd dat de benutbare mogelijkheden van appellant niet zijn gewijzigd ten opzichte van de vorige beoordeling in het kader van de Wet WIA. Voor de gestelde verergering van de psychische klachten, buikklachten en urogenitale klachten is geen medisch bewijs. Aan de door de rugpoli vastgestelde afwijkingen wordt ruimschoots tegemoetgekomen in de FML. Het vastgestelde gehoorverlies en de otalgie geven geen aanleiding voor meer beperkingen, omdat het slechts een lichte gehoorvermindering betreft die in de dagelijkse communicatie op de werkvloer geen belemmering vormt. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is bij rapport van 25 juli 2018 afdoende gemotiveerd waarom de in beroep overgelegde medische gegevens geen aanleiding vormen voor het aannemen van verdergaande beperkingen. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat de gang van zaken bij de arbeidskundige beoordeling voorstelbaar is. Uit de interne memo van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 15 juni 2017 blijkt dat de arbeidsdeskundige op verzoek van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep haar eerdere standpunt dat er geen passende functies konden worden geselecteerd nader heeft bezien en vervolgens tot de huidige theoretische schatting is gekomen. Er is, naar het oordeel van de rechtbank, sprake geweest van voortschrijdend inzicht bij de arbeidsdeskundige. Nu appellant naar aanleiding van de mededeling van de arbeidsdeskundige op 15 juni 2017 slechts zeer kort in de veronderstelling heeft verkeerd dat er geen passende functies te selecteren waren, er nog geen sprake was van een besluit en appellant noch het Uwv heeft gehandeld naar aanleiding van deze mededeling van de arbeidsdeskundige, slaagt het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel niet. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat de geschiktheid van de geselecteerde functies van productiemedewerker industrie, wikkelaar en medewerker tuinbouw afdoende is gemotiveerd.
3.1.
In hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 heeft appellant met name aangevoerd dat de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben nagelaten om zorgvuldig onderzoek te doen naar de knieklachten. Er is onvoldoende rekening gehouden met het gebrekkig herstel na de knieoperatie op 7 oktober 2015 en op dit punt zijn dan ook te weinig beperkingen aangenomen. Verder is onvoldoende rekening gehouden met de röntgenbevindingen van 5 april 2016 ten aanzien van de onderrug van appellant, de urogenitale klachten van appellant en de psychische klachten die naar voren komen uit het in beroep ingediende rapport van PACT van 1 november 2016 en de beperkingen die de medisch adviseur Eggink hieraan verbindt in zijn rapport van 1 december 2016.
3.2.
Appellant heeft in hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 aangevoerd dat met name onvoldoende rekening is gehouden met de toegenomen beperkingen die voortvloeien uit de gehoorklachten en duizeligheidsklachten, rugklachten en een overactieve bekkenbodem. Maar ook met de overige ziektebeelden is onvoldoende rekening gehouden in de FML. De geselecteerde functies van productiemedewerker industrie, wikkelaar en medewerker tuinbouw zijn niet geschikt wegens de vermoeidheids- en concentratieklachten, verhoogd persoonlijk risico, de gehoorbeperking en beperkingen op repetitieve handelingen, zitten en duwen/trekken.
3.3.
Het Uwv heeft bevestiging van beide aangevallen uitspraken bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak 1 (17/5477 WIA)

4.1.
Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat sprake is geweest van zorgvuldig medisch onderzoek door de verzekeringsartsen en een afdoende gemotiveerde beoordeling van de medische beperkingen van appellant. De verzekeringsarts is uitgegaan van beperkingen aan de linkerknie, zoals destijds vastgesteld door de verzekeringsarts in de FML van 12 mei 2014, ten aanzien van lopen, trappenlopen, klimmen, zitten en staan. Op 7 oktober 2015 heeft een kijkoperatie van de linkerknie plaatsgevonden. De verzekeringsartsen zijn uitgegaan van de normale hersteltermijn van maximaal zes weken na deze operatie en hadden geen aanwijzingen dat het herstel niet op de normale wijze was verlopen. Appellant heeft ook in hoger beroep geen medische stukken ingediend waaruit blijkt dat de kniebeperkingen na de operatie gedurende een langere dan de voor herstel van een kijkoperatie gebruikelijke periode zijn toegenomen. Uit de ingediende informatie van FysioHolland van 11 mei 2018 en van de huisarts van 9 augustus 2017 kan dit niet worden opgemaakt. De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel wat betreft de rugklachten. Uit de voorhanden informatie blijkt niet van een toename van de rugbeperkingen ten opzichte van de FML van 12 mei 2014. De in beroep ingediende informatie van PACT en medisch adviseur Eggink was al bekend en is ook al beoordeeld in de eerdere hogerberoepsprocedure (zie overweging 1.4). Uit deze stukken blijkt niet van een toename van de psychische beperkingen sinds 1 september 2015.
4.2.
Met het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 15 april 2019 is afdoende gemotiveerd dat appellant met ingang van 1 september 2015 in staat moest worden geacht de geselecteerde functies van productiemedewerker industrie, samensteller/wikkelaar en medewerker tuinbouw uit te oefenen, waarmee hij, net als voorheen, € 592,99 per maand zou kunnen verdienen.
4.3.
Gelet op overwegingen 4.1 en 4.2 wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat bij het bestreden besluit 1 terecht de WGA-vervolguitkering ongewijzigd is voortgezet. Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 slaagt niet.
Aangevallen uitspraak 2 (18/6490 WIA)

4.4.
De overwegingen van de rechtbank over de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen worden onderschreven. Ook heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat door de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend is gemotiveerd dat geen sprake is van toegenomen beperkingen ten opzichte van de voorgaande WIA-beoordeling. Uit de voorhanden informatie van kno-arts F.B. van der Beek van 21 april 2017 blijkt dat sprake is van een licht gehoorverlies van rechts (28dB AS 33dB) en oorpijn (otalgie). Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is overtuigend gemotiveerd bij rapporten van 4 december 2017 en 25 juli 2018 dat dit lichte gehoorverlies geen belemmering in de dagelijkse communicatie op de werkvloer vormt en dat de oorpijn, die met tandenknarsen lijkt samen te hangen, niet leidt tot specifieke beperkingen bij het verrichten van arbeid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd in zijn conclusie dat uit de in beroep ingediende informatie van de kno-arts Douwes Dekker van 16 maart 2018 niet valt op te maken dat de gehoorbeperking rond de periode in geding wel specifieke arbeidsbeperkingen met zich mee bracht. Ter zitting van de Raad is namens appellant aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met de toegenomen rugpijn, waarbij hij heeft gewezen op de informatie van de fysiotherapeut en osteopaat. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is toereikend gemotiveerd dat uit de informatie van de fysiotherapeut van 29 augustus 2017 en de informatie van de osteopaat Bourgonje van 26 juli 2017 niet blijkt van toegenomen rugbeperkingen met ingang van 10 december 2016.
4.5.
De overwegingen van de rechtbank over de interne memo van 15 juni 2017 worden ook onderschreven. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan niet slagen. Ter zitting van de Raad is namens appellant nog aangevoerd dat uit de interne memo van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 15 juni 2017 blijkt dat deze de primaire arbeidsdeskundige heeft “teruggefloten”. Dit wekt de indruk dat koste wat het kost aan de eerder ingezette lijn is vastgehouden, ondanks interne twijfel aan de juistheid van de arbeidskundige beoordeling. Ook daarin volgt de Raad appellant niet. De gang van zaken is weliswaar niet erg gelukkig geweest, maar de rechtbank wordt gevolgd in haar overweging dat kennelijk sprake is geweest van voortschrijdend inzicht bij de arbeidsdeskundigen. Ook al was het beter geweest als appellant geen deelgenoot was gemaakt van de oorspronkelijke gedachtevorming bij de arbeidsdeskundige, dat maakt nog niet dat aan die gedachtevorming, waarvan al voorafgaand aan de besluitvorming intern is teruggekomen, moet worden vastgehouden.
4.6.
De rechtbank heeft ten slotte met juistheid overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 18 december 2017 toereikend heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies van productiemedewerker industrie, samensteller/wikkelaar en medewerker tuinbouw, uitgaande van de juistheid van de FML, nog steeds geschikt zijn te achten voor appellant en dat de mate van arbeidsongeschiktheid en de resterende verdiencapaciteit ongewijzigd blijven.
4.7.
Gelet op de overwegingen 4.4 tot en met 4.6 slaagt het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 evenmin. Beide aangevallen uitspraken zullen worden bevestigd.
4.8.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2019.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) J.R. Trox

CVG