Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2630

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-08-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 07-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:2630, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/730 ZW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:2630:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 7 augustus 2019

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 januari 2018, 17/2584 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [naam] hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2019. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.P.F. Oosterbos.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
[werknemer] (werknemer) was tot zijn ontslagname per 30 juni 2016 in dienst bij appellante. Naar aanleiding van een ziekmelding van werknemer per 6 juni 2016 heeft appellante, die eigenrisicodrager is voor de Ziektewet (ZW), op 5 juli 2016 het Uwv verzocht om een beslissing af te geven waarbij aan werknemer de ZW-uitkering wordt geweigerd wegens een benadelingshandeling in de zin van artikel 45, eerste lid, onder j, van de ZW. Bij brief van 11 juli 2016 heeft het Uwv meegedeeld de beslissing niet te kunnen afgeven omdat de inhoud van het voorstel van appellante niet overeenstemt met de wettelijke bepalingen van de ZW.
1.2.
Bij e-mail van 26 juli 2016 heeft appellante onder protest geaccepteerd dat zij de ZW-uitkering in behandeling moet nemen en het Uwv verzocht dat in een besluit vast te leggen.
1.3.
Bij besluit van 14 oktober 2016 heeft het Uwv besloten dat werknemer over de periode van 1 juli 2016 tot en met 10 november 2016, de datum waarop het tijdelijke contract van werknemer zou eindigen, niet in aanmerking komt voor een ZW-uitkering omdat werknemer tijdens zijn ziekte ontslag heeft genomen. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 15 november 2016 heeft het Uwv de ZW-uitkering van werknemer per 11 november 2016 beëindigd omdat werknemer per die datum hersteld is.
1.4.
Bij e-mail van 22 november 2016 heeft appellante het Uwv op grond van Titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht om schadevergoeding ten bedrage van € 6.277,66. Appellante meent dat zij vanwege een benadelingshandeling van werknemer ten onrechte ziekengeld heeft betaald. Dat is volgens appellante in het besluit van 14 oktober 2016 bevestigd.
1.5.
Bij brief van 26 januari 2017 heeft het Uwv zijn voornemen bekendgemaakt het besluit van 14 oktober 2016 ambtshalve te herroepen omdat het onjuist is en dit te vervangen door een rechtmatig besluit. Verder heeft het Uwv medegedeeld vooralsnog geen verplichting te zien tot het betalen van schadevergoeding. Bij besluit van 9 maart 2017 heeft het Uwv definitief geweigerd om appellante schadevergoeding te betalen, omdat het door appellante aan werknemer uitgekeerde ziekengeld niet onverschuldigd was.
1.6.
Bij besluit van 13 maart 2017 heeft het Uwv het besluit van 14 oktober 2016 ingetrokken en bepaald dat artikel 45, eerste lid, onder j, van de ZW geen grond biedt voor het weigeren van een ZW-uitkering in het geval van eigenrisicodragerschap. Appellante was dan ook gehouden het ziekengeld te betalen. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.
2. Appellante heeft op 17 mei 2017 bij de rechtbank een verzoek om schadevergoeding ingediend. Appellante meent dat zij ten onrechte een bedrag van € 6.277,66 aan ziekengeld aan werknemer heeft uitgekeerd en wenst dit volgens haar onverschuldigd betaalde bedrag vergoed te krijgen van het Uwv. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Volgens de rechtbank is geen sprake van een onrechtmatig schadeveroorzakend besluit of een onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit.

3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv het vertrouwens-, willekeur-, evenredigheids-, motiverings- en rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden. Strijdigheid met zoveel beginselen levert volgens appellante op zich al een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek op. Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad is daarmee ook de schuld van het Uwv gegeven. De geclaimde kosten zijn logischerwijs het gevolg geweest van het moeten uitvoeren van het onrechtmatige besluit.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Voor een overzicht van de relevante regelgeving en rechtspraak wordt verwezen naar rechtsoverwegingen 4 tot en met 6 van de aangevallen uitspraak.
4.2.
Appellante heeft ter zitting van de Raad herhaald dat volgens haar het besluit van het Uwv van 13 maart 2017 een onrechtmatig besluit is en dat haar schade, bestaande uit het volgens haar ten onrechte betaalde ziekengeld, hieruit voortvloeit. De rechtbank heeft in 7.1 van de aangevallen uitspraak overwogen dat tegen het besluit van 13 maart 2017 geen bezwaar is gemaakt en dat dat besluit formele rechtskracht heeft gekregen. Dat betekent dat het besluit van 13 maart 2017 voor rechtmatig wordt gehouden, zowel wat betreft de wijze van tot stand komen als wat betreft de inhoud. Deze overweging is juist. Van een situatie als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, onder a, van de Awb is geen sprake.
4.3.
Als appellante, zoals zij ter zitting van de Raad heeft gesteld, het besluit van 13 maart 2017 niet binnen de bezwaartermijn heeft ontvangen, heeft zij daartegen ook geen bezwaar gemaakt nadat zij daarmee wel bekend was geworden. Het besluit van 13 maart 2017 is onherroepelijk geworden. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd over schending van algemene rechtsbeginselen doet, zo daar al sprake van zou zijn, niet eraan af dat het besluit nu voor rechtmatig moet worden gehouden.
4.4.
Appellante heeft niet langer gesteld dat sprake zou zijn van een ander onrechtmatig besluit of van onrechtmatige handelingen van het Uwv ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, onder b, van de Awb, die zouden hebben geleid tot de gestelde schade.
4.5.
De rechtbank heeft het verzoek van appellante om schadevergoeding terecht afgewezen. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en T. Dompeling en W.R. van der Velde als leden, in tegenwoordigheid van C.I. Heijkoop als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2019.

(getekend) M. Greebe

(getekend) C.I. Heijkoop

GdJ