Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2628

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-08-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 07-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:2628, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 19/1276 WAO-VV


Bron: Rechtspraak



Datum uitspraak: 7 augustus 201919/1276 WAO-VVCentrale Raad van BeroepVoorzieningenrechter

Uitspraak inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] , Duitsland (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

ECLI:NL:CRVB:2019:2628:DOC
nl


Datum uitspraak: 7 augustus 201919/1276 WAO-VVCentrale Raad van BeroepVoorzieningenrechter
Uitspraak inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] , Duitsland (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

procesverloop

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld en verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

overwegingen

OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb zijn onder meer de artikelen 8:81, 8:82 en 8:83 van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Ingevolge artikel 8:81 in samenhang met artikel 8:104 van de Awb, kan indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep bij de Raad is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Artikel 8:82, eerste lid, van de Awb bepaalt dat van de verzoeker een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:82, derde lid, is artikel 8:41, derde tot en met zesde lid, van de Awb van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn voor de bijschrijving of storting van het griffierecht twee weken bedraagt.

Bij brief van 22 maart 2019 is verzoeker erop gewezen dat hij ter zake van het ingediende verzoek een griffierecht van € 128,- is verschuldigd, welk bedrag binnen twee weken na dagtekening van die brief dient te zijn voldaan.

Binnen deze termijn is het griffierecht niet voldaan.

Bij aangetekende brief van 6 april 2019 is verzoeker nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen één week na dagtekening dient te zijn bijgeschreven op de in die brief genoemde bankrekening dan wel contant op het bezoekadres van de Raad dient te zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat overschrijding van die termijn leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om voorlopige voorziening.

Per e-mailbericht van 8 april 2019 heeft verzoeker om uitstel voor betaling van het griffierecht gevraagd.

Bij brief van 11 april 2019 heeft de Raad uitstel voor betaling van het griffierecht verleend tot en met 30 april 2019.

Ook binnen die termijn is het griffierecht niet voldaan.

Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen moet dan ook kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard, met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van L.R. Carlier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2019.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) L.R. Carlier

JvC