Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2627

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-08-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 07-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:2627, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/6596 ZW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:2627:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 7 augustus 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 september 2017, 16/8406 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.Z.U. Virágh, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2019. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. I. Veringmeier.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante was werkzaam als tomatenplukster/inpakster via een uitzendbureau voor 40 uur per week, toen zij zich op 1 maart 2016 voor dit werk ziek meldde met klachten als gevolg van een verkeersongeval. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).
1.2.
Op 13 september 2016 heeft zij het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante per 14 september 2016 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van tomatenplukster/inpakster. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 13 september 2016 de ZW-uitkering van appellante per 14 september 2016 beëindigd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 30 november 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 30 november 2016 ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op wijze waarop de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn conclusie heeft onderbouwd – mede op basis van de bevindingen van de verzekeringsarts, de informatie van de fysiotherapeut en de overige gedingstukken, het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en dat dit onderzoek de getrokken conclusie kan dragen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om een onafhankelijke medisch deskundige te benoemen.

3.1.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij vanwege haar aanhoudende klachten de huisarts heeft moeten bezoeken. Zij is het dan ook niet eens met het Uwv dat zij niet zodanig beperkt was dat zij geen werkzaamheden zou hebben kunnen verrichten. Uit de informatie van de huisarts blijkt volgens appellante, in samenhang bezien met de overige gedingstukken, dat zij reële, consistente en niet-ingebeelde klachten en beperkingen heeft. Mocht appellante desondanks toch geschikt worden geacht om werkzaamheden te verrichten, dient dit te gebeuren met inachtneming van een urenbeperking. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij informatie van haar huisarts van 10 november 2017 overgelegd. Appellante heeft verzocht een onafhankelijke deskundige te benoemen om advies uit te brengen.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.
4.2.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig is geweest en dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Daar wordt het volgende aan toegevoegd.
4.3.
In het rapport van 30 januari 2017 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep begrijpelijk gemotiveerd dat op basis van de standaard Duurbelasting in Arbeid geen sprake is van aanknopingspunten voor een urenbeperking. Appellante heeft in hoger beroep ook geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat het door de verzekeringsarts bezwaar en beroep geschetste beeld van haar gezondheidstoestand niet juist zou zijn. Het overgelegde huisartsenjournaal van 10 november 2017 is daartoe onvoldoende omdat dit journaal geen informatie bevat die niet al bekend was bij de verzekeringsartsen van het Uwv. Er bestaat dan ook geen aanleiding om het advies van een onafhankelijke deskundige in te winnen. Dit betekent dat het Uwv op goede gronden heeft beslist dat appellant met ingang van 14 september 2016 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering.
5. De overwegingen in 4.2 en 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2019.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) M. Graveland

TM