Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2625

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-08-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 07-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:2625, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 16/3670 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:2625:DOC
nl

16

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van 26 april 2016, 15/2254 (aangevallen uitspraak 1) en van 22 mei 2018, 17/3054 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 7 augustus 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.J.M. Arentz-Veldkamp hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Arentz-Veldkamp. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

De Raad heeft het onderzoek in beide zaken heropend en een aantal vragen aan het Uwv gesteld.

Het Uwv heeft ter beantwoording van de vragen een nader rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend en appellante heeft daarop gereageerd.

Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.


overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante heeft laatstelijk tot ontslag gewerkt als verzorgende voor 23,95 uur per week. Zij is met ingang van 1 november 2012 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Appellante heeft zich wegens psychische klachten op 23 november 2012 ziek gemeld. Na een verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige beoordeling heeft het Uwv bij besluit van 7 november 2014 appellante met ingang van 21 november 2014 een uitkering op grond van Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij beslissing op bezwaar van 8 juli 2015 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaarvan appellante tegen het besluit van 7 november 2014 ongegrond verklaard. Het bestreden besluit is gebaseerd op een rapport van 24 juni 2015 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 3 juli 2015 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
1.3.
Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen reden gezien te twijfelen aan de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het onderzoek heeft op voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden en met de aanvullende motivering in beroep en een aanpassing van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 september 2015 is het medisch oordeel voldoende gemotiveerd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voldoende toegelicht dat appellante de voor haar geselecteerde functies kan vervullen, zodat bestreden besluit 1 volgens de rechtbank ook op voldoende arbeidskundige grondslag berust.
1.4.
Vanuit de situatie dat appellante een WW-uitkering ontving, heeft zij zich per 30 maart 2017 opnieuw ziek gemeld. Appellante heeft op 6 juni 2017 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Bij besluit van 6 juni 2017 heeft het Uwv appellante met ingang van 30 maart 2017 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) geweigerd, omdat ten opzichte van de beoordeling in het kader van de Wet WIA per 21 november 2014 geen sprake is van wezenlijke veranderingen in de gezondheidstoestand van appellante en zij geschikt wordt geacht voor één van de per 21 november 2014 geselecteerde functies. Bij beslissing op bezwaar van 2 oktober 2017, gewijzigd bij beslissing op bezwaar van 29 november 2017 (bestreden besluit 2), heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 juni 2017 gegrond verklaard voor zover het betreft de datum van beëindiging van de ZW-uitkering, zodat die beëindiging eerst per 7 juni 2017 wordt geëffectueerd. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard. Het bestreden besluit is gebaseerd op een rapport van 12 september 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.
1.5.
Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegenbestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen reden gezien te twijfelen aan de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellante per 7 juni 2017 geschikt is haar maatgevende arbeid te verrichten, zodat het Uwv de ZW-uitkering terecht per die datum heeft beëindigd.
Wet WIA

2. In hoger beroep in beide zaken heeft appellante haar standpunt herhaald dat haar lichamelijke en psychische beperkingen door het Uwv zijn onderschat en dat in het kader van de ZW ten onrechte niet is onderkend dat sprake is van een toename van de klachten ten opzichte van 21 november 2014. Appellante heeft erop gewezen dat bij haar sprake is van niet aangeboren hersenletsel na een verkeersongeval in 2003, dat zij veel ziekte- en sterfgevallen in haar familie heeft meegemaakt en dat zij een Q-koortsinfectie heeft doorgemaakt. Appellante heeft gesteld dat zij lijdt aan het Q-koorts-vermoeidheidsyndroom (QVS) en dat de gevolgen hiervan voor haar belastbaarheid door het Uwv ten onrechte niet bij de beoordeling zijn betrokken. Appellante acht zich in haar standpunt gesteund door onder meer informatie van de huisarts, een rapport van polikliniek van het Q-koorts Expertisecentrum van het Radboud UMC en rapporten van A. Olde Loohuis, huisarts en medisch adviseur van Q-support. Verder heeft appellante aangevoerd dat haar lichamelijke klachten onvoldoende bij de beoordeling zijn betrokken.
3. Het Uwv heeft verzocht aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten, en aangevallenuitspraak 2 te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De verzekeringsarts heeft appellante psychisch en lichamelijk onderzocht en desgevraagd een rapport ontvangen van revalidatiearts J.M. van Haelst van 17 september 2014. In een rapport van 14 oktober 2014 heeft de verzekeringsarts overwogen dat appellante ten gevolge van een ongeval in 2003 enkele fysieke beperkingen (linkerpols en rechterenkel) en cognitieve beperkingen ervaart, waardoor zij eerder vermoeid raakt, en sprake is van een structureel afgenomen psychische draagkracht. Het uitgevoerde neuropsychologisch onderzoek (NPO) laat enkele tekorten zien op het gebied van aandacht en geheugen. Daarbij was de stemming van appellante somber en onzeker en was er sprake van onderpresteren. De cognitieve problemen kunnen verbeteren wanneer de stemming opklaart. Met inachtneming van deze bevindingen heeft de verzekeringsarts beperkingen vastgesteld in het persoonlijk en sociaal functioneren en voor trillingsbelasting, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden en deze beperkingen vermeld in een FML. De verzekeringsarts heeft vermeld dat niet kan worden geobjectiveerd dat Q-koorts de oorzaak is van de meeste lichamelijke klachten en de vermoeidheid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 24 juni 2015 aangesloten bij de bevindingen van de verzekeringsarts. Naar aanleiding van wat in beroep is aangevoerd, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 22 september 2015 een nieuwe FML opgemaakt waarin aanvullende beperkingen zijn opgenomen op het punt van knijp-/grijpkracht en communicatie (telefonie en spreken in een rumoerige omgeving). In een rapport van 18 september 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep deze aanvullende beperkingen toegelicht. Over de door appellante gestelde verdergaande beperkingen op cognitief en energetisch vlak als gevolg van de door haar doorgemaakte Q-koorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vermeld dat appellante niet voldoet aan de (landelijke) criteria voor het stellen van de diagnose QVS en er klachten zijn als gevolg van psychosociale problematiek (life events) die niet als ziekte of gebrek zijn aan te merken. In een rapport van 29 februari 2016 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de Q-koorts en de door appellante ingebrachte medische stukken van de huisarts en van Olde Loohuis vermeld dat de door de huisarts geschetste problematiek, de ervaren beperkingen en lopende behandeling bij de psycholoog reeds bekend waren en zijn meegewogen. Over de geclaimde verdergaande urenbeperking en cognitieve beperkingen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vermeld dat de internist aangeeft dat appellante niet voldoet aan de criteria voor het QVS en een relatie legt met de meegemaakte life events. De in de FML aangenomen urenrestrictie past bij de stemmingsproblematiek. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep staat de verklaring van Olde Loohuis haaks op de informatie van de internist die aangeeft dat appellante niet voldoet aan de criteria voor QVS.
4.2.
Wat betreft de invloed van de doorgemaakte Q-koorts op de gezondheidstoestand van appellante en de weging daarvan bij het opstellen van de FML, is het Uwv de vraag voorgelegd wat het medisch oordeel is over de beperkingen van appellante als ervan wordt uitgegaan dat de doorgemaakte Q-koorts-infectie heeft geleid tot medische klachten bij appellante per 21 november 2014 en hoe de FML in dat geval zou luiden. In een rapport van 26 februari 2019 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vermeld dat hij zich niet kan vinden in een benadering waarbij de Q-koorts niet (geheel) als verklaring van de medische klachten van appellante buiten beschouwing wordt gelaten. Wordt echter (toch) uitgegaan van medische klachten ten gevolge van de doorgemaakte Q-koorts-infectie, dan zou volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep een medische urenbeperking worden aangenomen en een beperking ten aanzien van zwaar werk. Deze medische urenbeperking is al aangenomen op grond van de andere aandoeningen en heeft geleid tot een beperking ten aanzien van werktijden (niet ‘s nachts, kan gemiddeld ongeveer acht uur per dag, ongeveer 40 uur per week werken, geen sterk onregelmatige werktijden, beperkt in de avonduren). Ook wat betreft zwaar werk is appellante beperkt geacht op diverse belastbaarheidsitems. Beperkingen ten aanzien van het cognitief functioneren als gevolg van de doorgemaakte Q-koorts-infectie zou de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet aannemen nu de resultaten van het NPO onbetrouwbaar waren. De conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is dat in het geval ervan wordt uitgegaan dat de Q-koorts-infectie heeft geleid tot medische klachten, de FML niet wijzigt.
4.3.
Met de hiervoor weergegeven rapporten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk gemaakt hoe hij tot zijn oordeel over de aan te nemen beperkingen is gekomen en voldoende gemotiveerd uiteengezet dat de door appellante ondervonden medische klachten in voldoende mate in de FML van 22 september 2015 zijn weergegeven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij zijn beoordeling de over appellante beschikbare medische informatie, waaronder de door appellante ingebrachte medische stukken, betrokken en inzichtelijk gemaakt hoe deze is gewogen. Er is, gelet op deze gegevens, geen aanleiding om te oordelen dat de psychische, cognitieve en lichamelijke klachten van appellante door het Uwv zijn onderschat. Voor zover appellante heeft betoogd dat de door haar doorgemaakte Q-koorts-infectie niet dan wel onvoldoende bij de beoordeling is betrokken, volgt uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 februari 2019 dat, ook als ervan wordt uitgegaan dat de doorgemaakte Q-koorts-infectie heeft geleid tot medische klachten bij appellante, dit niet leidt tot een aanpassing van de FML per datum 21 november 2014. Deze conclusie is overtuigend gemotiveerd. De door appellante ingebrachte medische informatie, waarin geen concrete uitspraken worden gedaan over de mate van belastbaarheid van appellante, biedt onvoldoende aanknopingspunten om deze conclusie over de FML voor onjuist te houden.
4.4.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 22 september 2015 is er geen aanleiding te oordelen dat de geselecteerde functies, zoals vermeld in rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 3 juli 2015 en van 1 maart 2016, voor appellante niet geschikt zijn. Nu de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft berekend dat de geschiktheid van appellante voor de geselecteerde functies leidt tot een verlies aan verdienvermogen van minder dan 35%, moet worden geconcludeerd dat de rechtbank in aangevallen uitspraak 1 terecht heeft geconcludeerd dat bestreden besluit 1 op een juiste medische en arbeidskundige grondslag berust. Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten, slaagt niet, zodat die uitspraak zal worden bevestigd.
ZW

4.5.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.
4.6.
In geschil is of appellante op 7 juni 2017 terecht geschikt is geacht voor één van de bij de WIA‑beoordeling voorgehouden functies. Evenals de rechtbank in aangevallen uitspraak 2 beantwoordt de Raad die vraag bevestigend. Daartoe wordt aangesloten bij de overwegingen, zoals die in aangevallen uitspraak 2 zijn weergegeven. De medische stukken geven geen aanknopingspunten om de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het aan bestreden besluit 2 ten grondslag gelegde rapport van 12 september 2017, inhoudende dat geen sprake is van een wijziging van de belastbaarheid van appellante ten opzichte van 21 november 2014, voor onjuist te houden. Appellante moet onveranderd in staat worden geacht haar maatgevende arbeid te verrichten.
4.7.
Gelet op overweging 4.6 wordt geoordeeld dat de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat appellante per 7 juni 2017 geen recht heeft op ziekengeld. Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 slaagt niet.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

- bevestigt aangevallen uitspraak 1 voor zover aangevochten;- bevestigt aangevallen uitspraak 2.
De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en R.B. Kleiss en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2019.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) J.R. Trox

TM