Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2341

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 17-07-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 17-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:2341, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 15/8338 WIA


Bron: Rechtspraak



Datum uitspraak: 17 juli 201915/8338 WIACentrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a, 8:88 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 november 2015, 15/4662 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid)

ECLI:NL:CRVB:2019:2341:DOC
nl


Datum uitspraak: 17 juli 201915/8338 WIACentrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a, 8:88 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 november 2015, 15/4662 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid)

procesverloop

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft H.J.A. Aerts hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft op 12 maart 2019 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.

Bij brief van 2 april 2019 heeft mr. M.R. Meulenberg-ten Hoor, als opvolgend gemachtigde, namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten in beroep en hoger beroep en tot vergoeding van schade ten gevolge van het overschrijden van de redelijke termijn.

Middels een brief van 11 april 2019 heeft het Uwv laten weten dat zij akkoord gaan met een vergoeding van de proceskosten conform het Besluit proceskosten bestuursrecht en geen verweer zullen indienen tegen de gevraagde vergoeding van proceskosten.

Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) als partij aangemerkt.

Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

overwegingen

OVERWEGINGEN


Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.

Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 12 maart 2019 geheel aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.

De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.024,- in beroep en € 1.280,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.De reiskosten die appellante heeft moeten maken voor het bijwonen van de zitting bij de Raad, komen tot een bedrag van € 18,- (openbaar vervoer 2e klas) voor vergoeding in aanmerking.
Voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geldt het volgende.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.Vanaf de datum van ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift op 17 december 2014tot de datum van deze uitspraak heeft de procedure afgerond vier jaar en zes maanden geduurd. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met meer dan zes maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 1.000,-.Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van het Uwv afgerond vijf maanden geduurd. Vanaf de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 29 juni 2015 tot de datum van deze uitspraak zijn drie jaar en meer dan zes maanden verstreken. De overschrijding van de redelijke termijn bij de bestuursrechter is meer dan zes maanden. Daarmee heeft de Raad vastgesteld dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is geschonden. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 1.000,-.
beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.322,-;- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) tot een betaling aan appellante van vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van L.R. Carlier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2019.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) L.R. Carlier

KS