Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2249

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-07-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 11-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:2249, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/4858 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:2249:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 11 juli 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 juni 2017, 16/5882 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.P.W.A. Bink, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1
Appellante is werkzaam geweest als activiteitenbegeleidster. Zij heeft zich na een operatie op 1 november 2007 ziek gemeld met klachten van overprikkelbaarheid. Met ingang van 1 november 2009 heeft het Uwv haar in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%. Per 1 juni 2011 heeft het Uwv de loongerelateerde uitkering omgezet in een loonaanvullingsuitkering. Bij brief van 11 september 2015 heeft appellante het Uwv verzocht om een herbeoordeling. Appellante stelde zich op het standpunt dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was en in aanmerking diende te komen voor een IVA-uitkering.
1.2.
Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 18 mei 2016 vastgesteld dat appellante met ingang van 19 juli 2016 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat sprake is van een toegenomen belastbaarheid ten opzichte van de beoordeling in 2009. Appellante is aangewezen op werkzaamheden conform de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 april 2016. Een arbeidsdeskundige heeft het verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op 22,85%.
1.3.
Bij besluit van 20 september 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 mei 2016, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, ongegrond verklaard. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op basis van zijn bevindingen tijdens de hoorzitting en de door appellante in bezwaar ingezonden informatie van de behandelend artsen geen argumenten gezien om de in de FML van 19 april 2016 vastgestelde beperkingen bij te stellen.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het medisch onderzoek zorgvuldig geacht. Zij is verder tot het oordeel gekomen dat er geen redenen tot twijfel zijn aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. Daartoe heeft zij overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische informatie van de behandelaars heeft betrokken bij zijn beoordeling en zijn conclusie over de belastbaarheid van appellante overtuigend heeft gemotiveerd. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om appellante in haar standpunt te volgen en haar standpunt te onderschrijven dat sprake is van strijd met het recht op een eerlijk proces of met het beginsel van equality of arms. Zij heeft het verzoek van appellante om een medisch deskundige afgewezen. De rechtbank heeft zich tot slot kunnen vinden in de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is verricht. Voorts heeft appellante gesteld dat haar klachten wel objectiveerbaar zijn en dan haar beperkingen zijn onderschat. Nu de artsen van het Uwv een ander standpunt innemen dat haar behandelend artsen had het Uwv de aangenomen belastbaarheid inzichtelijker moeten motiveren. Ten onrechte heeft de rechtbank geen deskundige ingeschakeld, waardoor er geen sprake is geweest van een eerlijk proces. Appellante heeft aangevoerd dat zij niet de beschikking heeft over de financiële middelen om zelf een deskundige in te schakelen.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Appellante heeft een beroep gedaan op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, Korošec). In zijn uitspraak van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226) heeft de Raad, gelet op genoemd arrest, de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen van het Uwv. Dat leidt in dit geding tot het volgende.
Stap 1: zorgvuldigheid van de besluitvorming

4.2.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat het onderzoek door de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. De artsen van het Uwv waren op de hoogte van de klachten van appellante en hebben deze kenbaar in hun beoordeling betrokken. Appellante is in het kader van het primair medisch onderzoek op het spreekuur gezien door de verzekeringsarts I. Voute-van der Werff. Deze arts heeft dossieronderzoek verricht, eigen onderzoek verricht en informatie opgevraagd bij de huisarts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante op de hoorzitting gezien, haar gerichte vragen gesteld en heeft de in bezwaar ingebrachte verklaring van de GZ-psycholoog bij zijn beoordeling betrokken.
Stap 2: equality of arms

4.3.1.
De kern van het beginsel van de equality of arms is erin gelegen dat slechts als er evenwicht bestaat tussen partijen met betrekking tot de mogelijkheid om bewijsmateriaal aan te dragen, de bestuursrechter in staat is een onafhankelijk en onpartijdig oordeel te geven. In verband met de twijfel aan de onpartijdigheid van de verzekeringsartsen van het Uwv bij de vaststelling van de voor de betrokkene in aanmerking te nemen beperkingen, moet de rechter de vraag beantwoorden of de betrokkene voldoende ruimte heeft gehad tot betwisting van de medische bevindingen van de verzekeringsartsen, bijvoorbeeld door zelf medische stukken in te dienen. Als de betrokkene (medische) stukken in het geding brengt, moet de bestuursrechter beoordelen of deze stukken een redelijke mogelijkheid vormen voor betrokkene om de bestuursrechter van zijn standpunt te overtuigen. Als het de betrokkene in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen geen nadere medische stukken ter onderbouwing van zijn (hoger) beroep te hebben ingediend of de bestuursrechter de door betrokkene ingediende stukken naar hun aard niet geschikt acht om twijfel te zaaien aan de rapporten van de verzekeringsartsen, ligt het op de weg van de bestuursrechter betrokkene voor deze bewijsnood zo nodig compensatie te bieden, bijvoorbeeld in de vorm van benoeming van een onafhankelijke (medisch) deskundige.
4.3.2.
Vastgesteld wordt dat appellante in bezwaar een rapport van 5 februari 2013 van de GZ-psycholoog drs. M.C.J. van Rijn heeft ingediend. Dit rapport geeft een uitgebreid beeld van de somatische en psychische klachten die appellante sinds november 2007 ervaart. In dit rapport zijn de bevindingen van de psycholoog op basis van anamnese en psychologisch onderzoek uitgebreid verwoord en worden de door appellante ervaren beperkingen en de prognose daaromtrent vermeld. Niet gezegd kan worden dat dit rapport naar zijn aard niet geschikt is om twijfel te zaaien aan de rapporten van de verzekeringsartsen. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat het beginsel van equality of arms wordt geschonden indien door de bestuursrechter geen deskundige wordt ingeschakeld.
Stap 3: inhoudelijke beoordeling

4.4.
De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat bij appellante sprake is van een vermindering van klachten ten opzichte van 2009. Dit komt overeen met de eigen verklaring van appellante tijdens het spreekuur, de informatie van de huisarts van juli 2015 en de informatie van de klinisch psycholoog van 6 januari 2016. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat bij appellante sprake is van een verminderde rugfunctie en dat de problemen die zij ervaart ten aanzien van aandacht, concentratie en geheugen, als ook de overgevoeligheid voor geluiden en licht, bij medisch onderzoek niet kunnen worden geobjectiveerd. Desondanks heeft de verzekeringsarts met de klachten van appellante rekening gehouden door in de FML van 19 april 2016 diverse beperkingen aan te nemen, waaronder een urenbeperking van 20 tot 25 uur per week. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft uit het rapport van de GZ-psycholoog van 5 februari 2013 geconcludeerd dat de klachten van appellante geen psychologische oorzaak hebben. Uit de informatie van neuroloog J. de Graaf van 18 februari 2015 blijkt dat voor de klachten evenmin een neurologische oorzaak is vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voorts onderkend dat de gepresenteerde klachten een behoorlijk ernstig en belemmerend karakter hebben, echter daaraan – nu voor een aanmerkelijk deel de externe consistentie ontbreekt – in de FML in voldoende mate tegemoet is gekomen. Er zijn geen aanknopingspunten om deze naar behoren gemotiveerde beschouwing van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist te achten. Hierin ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet voor inschakeling van een onafhankelijke deskundige.
4.5.
De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de in bezwaar geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante. Daarvoor wordt verwezen naar het Resultaat functiebeoordeling van 9 mei 2016 waarin de signaleringen van de belastende factoren in de geselecteerde functies voldoende inzichtelijk en overtuigend zijn toegelicht.
4.6.
De overwegingen in 4.1 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van R. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2019.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) R. Rijnen

CVG