Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2246

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-07-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 11-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:2246, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/6270 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:2246:DOC
nl

17

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 augustus 2017, 17/46 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 11 juli 2019

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.


overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als schoonmaakster gedurende 11,38 uur per week bij drie werkgevers. Zij heeft zich op 5 maart 2014 ziek gemeld bij twee werkgevers, met zwangerschap gerelateerde klachten. Op 4 augustus 2014 heeft appellante zich bij de derde werkgever ziekgemeld. Appellante heeft een uitkering op grond van de Ziektewet en vervolgens een WAZO-uitkering ontvangen. Na afloop van de WAZO-uitkering heeft appellante zich ziek gemeld met gewrichts- en pijnklachten en psychische klachten.
1.2.
Op 11 april 2016 heeft appellante het Uwv verzocht haar in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De verzekeringsarts heeft appellante lichamelijk en psychisch onderzocht en vastgesteld dat bij appellante beperkingen bestaan als gevolg van een reumatische aandoening. Appellante is aangewezen op schouder/arm/hand sparend werk. Zitten, staan en lopen dienen afwisselend plaats te vinden en langdurig gedwongen houdingen of standen dienen vermeden te worden. Hoogfrequente en extreme rompbewegingen zijn niet toegestaan en grove trillingsbelastingen dienen vermeden te worden. De beperkingen zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 juni 2016. Met deze FML heeft de arbeidsdeskundige vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar werk van schoonmaakster, maar wel voor andere door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies op grond waarvan het verlies aan verdiencapaciteit is vastgesteld op minder dan 35%. Bij besluit van 14 juli 2016 heeft het Uwv bepaald dat appellante met ingang van 24 juni 2016 geen WIA-uitkering krijgt, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.3.
Appellante heeft tegen het besluit van 14 juli 2016 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 15 december 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en zijn beslissing gehandhaafd dat appellante niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Voor zover van belang in hoger beroep, heeft de rechtbank overwogen geen aanleiding te zien te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Zij heeft daartoe overwogen dat deze arts bij het vaststellen van de belastbaarheid rekening heeft gehouden met alle naar voren gebrachte klachten. Tevens heeft zij vastgesteld dat de informatie van de behandelend sector op een deugdelijke en kenbare wijze bij de medische beoordeling is betrokken. De rechtbank heeft geen reden gezien om aan te nemen dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidstoestand van appellante hebben gemist. Appellante heeft geen informatie ingezonden die doet twijfelen aan de juistheid van de beperkingen die in verband met voornoemde klachten zijn vastgesteld. Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat voldoende is toegelicht dat de belasting in de geselecteerde functies de voor appellante vastgestelde belastbaarheid niet overschrijdt.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep herhaald aangevoerd dat haar beperkingen zijn onderschat en dat haar vermoeidheid en klachten met de dag erger worden. Daarnaast heeft appellante gesteld dat de artsen van het Uwv ten onrechte zijn afgegaan op medische informatie uit 2016.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit wordt geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. Er is een zorgvuldig onderzoek verricht. De verzekeringsarts heeft dossierstudie verricht waarbij informatie van de behandelend sector is betrokken, heeft een anamnese inclusief dagverhaal afgenomen en appellante lichamelijk en psychisch onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante op de hoorzitting gesproken en een aanvullend medisch onderzoek verricht waarbij de medische informatie verkregen in bezwaar is betrokken en gewogen.
4.2.
Evenzeer wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de beperkingen zoals vastgesteld door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zelf lichamelijk en psychisch onderzoek verricht en is uitdrukkelijk ingegaan op de aangevoerde klachten waarbij de informatie van de behandelend sector, waaronder brieven van de reumatoloog, zijn betrokken. Dat appellante forse pijnklachten heeft, is betrokken door de verzekeringsartsen en betekent niet dat de vastgestelde beperkingen onjuist zijn. In dat licht wordt opgemerkt dat de door appellante ervaren klachten niet leidend zijn bij het vaststellen van de beperkingen in het kader van de Wet WIA. Geconcludeerd wordt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 14 december 2016 gemotiveerd uiteen heeft gezet waarom de bezwaren van appellante geen doel treffen. Appellante heeft daartegen noch bij de rechtbank noch in hoger beroep medische gegevens ingediend op grond waarvan aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de FML van 9 juni 2016.
4.3.
Het standpunt van appellante dat de artsen van het Uwv bij de beoordeling van haar belastbaarheid uitgegaan zouden zijn van verouderde medische gegevens wordt niet gevolgd. Nu de datum in geding 24 juni 2016 is, hebben de artsen van het Uwv de belastbaarheid van appellante op deze datum te beoordelen. Terecht is dan ook de informatie van onder meer reumatoloog J.M. van Woerkom, gedateerd 30 augustus 2016 en 13 december 2016, bij de beoordeling betrokken.
4.4.
Ten slotte wordt ook het oordeel van de rechtbank onderschreven dat er geen aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de medische geschiktheid van de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd voor appellante.
4.5.
Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. 5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2019.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) M. Graveland

VC