Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2240

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-07-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 10-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:2240, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/5773 WAO


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:2240:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 10 juli 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 14 juli 2017, 16/2843 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.G.M.C. Peters, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2019. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant ontvangt sinds 18 juni 1997 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
1.2.
De politie heeft op 8 april 2014 op het woonadres van appellant, gelegen aan de [woonadres], een inwerking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met 180 hennepplanten. Uit het door de politie opgemaakte rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 7 augustus 2014 blijkt dat de politie is uitgegaan van één eerdere oogst en dat het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op € 13.983,46.
1.3.
Het Uwv heeft een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant betaalde WAO-uitkering. De resultaten van het onderzoek heeft het Uwv neergelegd in een onderzoeksrapport van 18 februari 2016. Op basis van de onderzoeksbevindingen en het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het Uwv bij besluit van 31 maart 2016, wegens in de periode van 5 november 2013 tot 9 april 2014 ontvangen inkomsten uit hennepteelt, de WAO-uitkering van appellant met toepassing van artikel 44 van de WAO over die periode op nihil gesteld en een bedrag van € 4.141,05 aan betaalde WAO-uitkering teruggevorderd. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 maart 2016 heeft het Uwv bij besluit van 15 augustus 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat uit het onderzoek van het Uwv en uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgemaakt dat er één oogst heeft plaatsgevonden, zodat er vanuit kan worden gegaan dat appellant inkomsten uit hennepteelt heeft gehad. Het Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank op redelijke wijze de in aanmerking te nemen inkomsten geschat. Dat appellant de schatting niet met concrete en verifieerbare gegevens heeft kunnen weerleggen komt voor zijn risico. Het feit dat de politierechter in de aantekening mondeling vonnis van 4 april 2016 het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil heeft gesteld, heeft niet tot een ander oordeel geleid. De rechtbank heeft daartoe, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 17 september 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BF3199, overwogen dat in een strafrechtelijke procedure niet alleen een andere rechtsvraag wordt voorgelegd, maar dat ook een aanmerkelijk verschil bestaat tussen de vereisten waaraan het bewijs in strafzaken moet voldoen en de vereisten voor het bewijs in een bestuursrechtelijke beroepsprocedure. Daarbij komt dat niet uit de stukken kan worden opgemaakt op welke grond de politierechter tot het vonnis is gekomen. Het Uwv heeft volgens de rechtbank op goede gronden de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid over de periode van 5 november 2013 tot 9 april 2014 vastgesteld op minder dan 15%, zodat de WAO-uitkering over die periode niet tot uitbetaling kan komen. Appellant heeft de terugvordering als zodanig niet bestreden en geen dringende redenen aangevoerd op grond waarvan het Uwv van terugvordering had moeten afzien.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat het Uwv ten onrechte is uitgegaan van genoten inkomsten over de periode van 5 november 2013 tot 9 april 2014. De politierechter heeft in een aantekening mondeling vonnis van 4 april 2016 vastgesteld dat er niet vanuit kan worden gegaan dat appellant heeft geoogst omdat daarvoor onvoldoende bewijs is. Volgens appellant is het dan ook onbegrijpelijk dat de bestuursrechter op basis van dezelfde stukken kan vaststellen dat er een oogst is geweest. Appellant heeft verder gesteld dat de uitspraak van de Raad waar de rechtbank naar heeft verwezen, ECLI:NL:CRVB:2008:BF3199, verschilt van zijn situatie omdat hij van meet af aan heeft verklaard dat hij geen oogst of inkomsten heeft genoten uit de hennepteelt.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Voor de weergave van het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar rechtsoverwegingen 7 tot en met 9 van de aangevallen uitspraak.
4.2.
Bij besluiten tot korting van inkomsten uit arbeid en terugvordering van socialezekerheidsuitkeringen, zoals hier aan de orde, gaat het om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het Uwv in het voorliggende geval feiten moet aandragen aan de hand waarvan het aannemelijk is dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 44 en 57 van de WAO is voldaan. Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat appellant in de periode van belang inkomsten heeft genoten, dan ligt het op de weg van appellant om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.
4.3.
De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat appellant in de periode van 5 november 2013 tot 9 april 2014 inkomsten uit hennepteelt heeft genoten. De daaraan door de rechtbank ten grondslag gelegde overwegingen, zoals samengevat weergegeven onder overweging 2, worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.4.
Anders dan appellant stelt, blijkt uit de aantekening mondeling vonnis van 4 april 2016 niet dat appellant geen inkomsten uit of in verband met de hennepkwekerij heeft gehad in de periode van 5 november 2013 tot 9 april 2014. Uit het vonnis blijkt dat het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, door de politierechter op nihil is gesteld. De politierechter heeft geen motivering gegeven voor deze beslissing. Niet valt uit het vonnis af te leiden op welke periode de beslissing van de politierechter betrekking heeft en of dit aldus ziet op de in geding zijnde periode. Ook blijkt daaruit niet op welk feit het vonnis betrekking heeft en wat appellant ten laste is gelegd. De stelling van appellant dat hij geen inkomsten heeft gehad, heeft hij met de enkele verwijzing naar de aantekening mondeling vonnis niet aannemelijk gemaakt. Dat appellant van meet af aan heeft verklaard dat hij geen oogst heeft gehad of inkomsten heeft genoten uit de hennepteelt maakt het voorgaande niet anders.
4.5.
Het oordeel van de rechtbank dat het Uwv terecht de (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid van appellant over de periode van 5 november 2013 tot 9 april 2014 heeft vastgesteld op minder dan 15%, waardoor zijn WAO-uitkering over die periode niet tot uitbetaling kon komen, is juist. In wat appellant heeft aangevoerd wordt geen dringende reden gezien om van terugvordering af te zien.
4.6.
Gelet op de overwegingen 4.1 tot en met 4.5 slaagt het hoger beroep niet.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2019.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) M. Graveland

GdJ