Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2236

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-07-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 10-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:2236, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 16/1895 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:2236:DOC
nl

16


Datum uitspraak: 10 juli 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 februari 2016, 15/5383 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L.A.M. van Os, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2018. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.

Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Het Uwv heeft nadere stukken ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als automonteur en heeft zich op 3 december 2012 ziek gemeld met lichamelijke klachten.
1.2.
Naar aanleiding van een aanvraag om uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft de verzekeringsarts een medisch onderzoek verricht. De verzekeringsarts heeft de voor appellant geldende beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 oktober 2014. Aansluitend heeft de arbeidsdeskundige passende functies geselecteerd tot het vervullen waarvan appellant in staat is geacht. Bij besluit van 29 oktober 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat hij met ingang van 1 december 2014 minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.3.
In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant onderzocht en de FML op 25 juni 2015 aangepast. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een aantal nieuwe functies geselecteerd. Bij besluit van 10 juli 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 oktober 2014 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er geen redenen zijn tot twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. Verder heeft de rechtbank de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv zijn psychische en lichamelijke beperkingen heeft onderschat. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft hij informatie van de behandelend sector, waaronder die van klinisch psycholoog J. Sonneveld, ingebracht.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de medische onderzoeken van het Uwv zorgvuldig zijn geweest en dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven.
4.2.
De medische informatie die appellant in hoger beroep heeft ingediend tast het oordeel van de rechtbank niet aan. De verzekeringsartsen hebben te kennen gegeven dat bij appellant sprake is van een aanpassingsstoornis en van aspecifieke rugklachten bij scoliose. De psychische problematiek is in ernst gekwalificeerd als licht tot matig. In hoger beroep is informatie van klinisch psycholoog Sonneveld ingebrachtDe verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 25 juli 2016 te kennen gegeven dat deze informatie niet leidt tot een ander oordeel over de beperkingen van appellant. Dit standpunt is op 23 januari 2019 nader toegelicht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toen uiteengezet dat bij het vaststellen van de belastbaarheid van appellant rekening is gehouden met de door Sonneveld beschreven klachten, alleen hanteert Sonneveld een andere benaming voor deze klachten. Hiermee is overtuigend en inzichtelijk gemotiveerd waarom de overgelegde medische informatie geen aanleiding geeft tot bijstelling van de FML op persoonlijk en sociaal functioneren. Hierbij wordt van belang geacht dat bij het vaststellen van de functionele mogelijkheden niet zozeer de gestelde diagnoses van belang zijn, maar de objectief bepaalbare beperkingen van appellant.
4.3.
Ook op lichamelijk vlak bestaat geen aanleiding om de FML voor onjuist te houden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 23 januari 2019 geconcludeerd dat uit de informatie van de huisarts, orthopeed, neuroloog en fysiotherapeut niet blijkt dat sprake is van ernstige lichamelijke afwijkingen. De afwijkingen aan de rug en een beenlengteverschil zijn niet zodanig dat ze alle klachten van appellant kunnen verklaren. Dit standpunt kan worden gevolgd. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn klachten op de datum in geding 1 december 2014 hadden moeten leiden tot meer dan wel verdergaande beperkingen. Gelet op het voorgaande bestaat voor het raadplegen van een onafhankelijke deskundige geen aanleiding.
4.4.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 25 juni 2015 is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat de functies die door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, in medisch opzicht geschikt zijn. Dit is overtuigend gemotiveerd in het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 1 juli 2015.
4.5.
Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van O.V. Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2019.

(getekend) B.J. van de Griend

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

GdJ